Go to Top

BSRetro: Geert Meijer

BSRetro: Geert Meijer

In moderne therapievormen gericht op rouwverwerking en verslaving is er veel ruimte voor gesprekken met ervaringsdeskundigen. En juist dat kunnen we als NAC-supporters, afhankelijk van een club die sportief op sterven na dood is, wel gebruiken. Gelukkig is er dan altijd het doemrijke verleden van de Parel van het Zuiden waar we met BSRetro gezellig uit kunnen putten, want Geert Meijer (1951) heeft, als linksbuiten halverwege jaren ’80, met NAC griezelig gelijksoortige tijden meegemaakt.

L’histoire se repête, dejà-vu en meer van dat soort Francofiele gezegden schieten je namelijk te binnen als je de situatie van het huidige NAC naast die van de periode 1983-1985 legt. Een (vrij) recent gepromoveerde Parel van het Zuiden die het degradatiemoeras maar niet weet te ontkomen. Een selectie waar de kwaliteit niet van afspat. Uitblijvende stunts tegen grote ploegen, veel gestuntel tegen directe concurrenten, een gapend gat naar de veilige plaatsen, en dat NAC gaat afdalen staat, eind maart, eigenlijk al wel vast. Het had verleden tijd moeten blijven, maar het is opnieuw werkelijkheid, in 2019.

“En dat is doodzonde, eigenlijk zitten ze weer in precies dezelfde situatie als toen ik er zat,” zegt Geert Meijer, als we hem treffen in een restaurantje aan de Oude Maas, net onder Barendrecht, op een stormachtige donderdagmiddag. Want zelfs al heeft hij niet lang bij NAC gezeten, de opkomst en ondergang van het bolwerk aan de Beatrixstraat heeft Meijer al eens aan den lijve ondervonden, want als hij in 1986 stopt met voetballen, heeft hij tweeëneenhalf jaar voor NAC gespeeld verspreid over drie seizoenen, zeven goals gemaakt, de ploeg aan promotie geholpen én het begin meegemaakt van de donkere middeleeuwen van het Bredase bastion.

Maar we beginnen deze BSRetro een Intercity Direct-ritje verderop, in Amsterdam. Geert Meijer komt in het Groningse Ter Apel ter wereld, maar groeit op in het Amsterdam Nieuw-West van de jaren ’60. Als flankspelers komt hij, via Amsterdamse amateurs SCZ ’58, als zestienjarige in het tweede elftal van hoofdstedelijke profclub DWS terecht. “Ik was als voetballer anders dan anderen, linksbenig, snel. Eén tegen één was ik gevaarlijk. Een vrije rol op de flank vond ik het mooist, maar ik moest er niks van hebben als er de hele tijd een linksback over me heen vloog. Als kind vloog ik bijna standaard voorbij drie verdedigers, maar dan liet ik een ander scoren: mijn voldoening lag vooral in assists. Sommige spelers maakten doelpunten en renden dan gelijk naar hoek waar ze stonden te filmen, maar ik was niet iemand die wist waar de camera’s stonden. Er zijn van mij dus niet zo veel beelden.”

Lieverdjes

Getalenteerd, snel, en een local boy, maar Geert Meijer zal nooit voor DWS-1 spelen. Al ligt dat niet aan hem zelf. DWS en Blauw-Wit fuseren in 1972 tot FC Amsterdam: uit de as van de twee clubs van Amsterdam-West (en eentje uit Noord, want in 1974 sluiten ook De Volewijckers zich aan) wordt een nieuwe club gesmeed, een potentieel geduchte concurrent voor gevestigde topclub Ajax. De Lieverdjes worden vaste bespeler van het beroemde, enorme Olympisch Stadion in Amsterdam-Zuid, het heeft een indrukwekkend scoutingnetwerk in de regio met een neus voor plaatselijk talent, en de voorzitter, Dé Stoop, heeft het geld om een rits full-profs te binden, in een tijd dat veel spelers als semi-prof nog een sigarenzaak of een sportwinkel naast het voetbal hebben.

Alle ingrediënten zijn in theorie aanwezig om te presteren. En FC Amsterdam doet het, zeker die eerste jaren, helemaal niet slecht. Het wordt vijfde in de Eredivisie, schakelt Inter uit in de UEFA Cup, het verslaat Feyenoord in de Kuip met 1-2, maar belangrijker nog, het wint de Amsterdamse derby tegen Ajax, in de Meer, met 2-4, door twee goals én een assist van Geert Meijer. Voor zover hij nog niet op de radar van de scouts van Ajax stond vestigt hij in die wedstrijd definitief zijn naam. “Ik stond in die periode bijna wekelijks in het sterrenteam in de krant, haalde vaak een acht of een negen. Ik geloof dat ze me voor die wedstrijd wel in de gaten hielden, maar na die wedstrijd werd in de catacomben geroepen dat ik metéén kon tekenen. Goed, misschien heb ik één bijna perfecte wedstrijd gespeeld: dat was dan die middag.”

FC Amsterdam maakt zich daarnaast op voor een grote uitverkoop, want binnen de club ontstaat het besef dat het een aflopende zaak is. Het grootste probleem: er komt na twee jaar proberen nog steeds bijna niemand kijken naar De Lieverdjes, successen of niet. “We speelden in het Olympisch Stadion, die grote bak, waar toen 60.000 mensen in pasten, soms voor 2000, misschien 3000 toeschouwers. Voor de UEFA Cup speelden we 0-0 tegen Internazionale, een Europese topclub, maar zelfs bij die wedstrijd zat er misschien maar 9000 man publiek. Voorzitter Stoop proefde toen ook wel dat er geen eer meer aan te behalen viel: hij heeft toen maar geprobeerd zoveel mogelijk gasten te verkopen, om zijn geld er alsnog maar uit te halen. Het was ooit bedoeld als tegenhanger van Ajax, maar dat is het nooit geworden.”

Spits Nico Jansen vertrekt daarop in 1975 naar Feyenoord, rechtsbuiten Gerard van der Lem gaat naar Roda. En ook linksbuiten Geert Meijer vertrekt dat jaar, inderdaad, naar Ajax. Het gaat daarna hard achteruit met de vaste bespeler van het Olympisch Stadion: het degradeert in 1978, hobbelt nog vier jaar mee in de Eerste Divisie, maar dan gaat in 1982, als de club al op een bijveld náást het stadion speelt om de kosten te drukken, de stekker eruit (een benefietplaat van André Hazes, in die tijd meer FC Amsterdam-supporter dan Ajacied, ten spijt).

23 februari 1975, Ajax-FC Amsterdam, 2-4. Het Eredivisiehoogtepunt van FC Amsterdam komt tot stand door twee goals én een assist van Geert Meijer.

Buffelen in Bristol

Voor Meijer zelf is een transfer naar Ajax, als Amsterdamse jongen, een droom die uitkomt, zelfs al wordt het sportief niet helemaal wat hij er van hoopt. Al kun je hem dat niet echt aanrekenen: Cruijff, Keizer, Swart, Rep en Neeskens (en coach Michels) zijn allemaal al weg. Het Ajax van de latere jaren ’70 is geen schim meer van het legendarische team dat drie keer op rij de Europacup I veroverde, en op 28 september 1972 zelfs de Wereldbeker won. (Datzelfde team verloor op 1 oktober 1972 de eerstvolgende wedstrijd bij NAC, met 2-0, twee goals van Addy Brouwers, maar dat geheel terzijde). In de drie seizoenen dat Meijer in Amsterdam-Oost speelt wint Ajax precies nul prijzen, en na een jaar terugverhuurd te zijn aan FC Amsterdam vertrekt Geert Meijer in ’79 naar een ploeg in den vreemde: Bristol City, een kleine club, maar wel één op het hoogste Engelse niveau.

“We hadden een aardige ploeg in die tijd, een paar Engelse oud-internationals (die hij allemaal uit zijn hoofd kan noemen, red.). Maar ‘leven voor de sport’ betekende daar toch wel wat anders dan in Nederland. Mijn eerste training begon om half elf, dus ik stond er rond half tien voor de deur: niemand aanwezig. Ik was bij Ajax gewend om twee keer per dag te trainen, drie kwartier van te voren in de kleedkamer aanwezig, even langs de fysio, dat werk. Komen ze daar tien minuten voor tijd een keer aanzetten, laadden ze ons allemaal in een busje. We reden naar een park, liepen een minuut of twintig een paar rondjes, toen zei de manager: ‘zo jongens, we gaan weer naar binnen’. Ik had ineens vrij veel vrije tijd, zullen we maar zeggen.”

Het moge duidelijk zijn: de tijden zijn, zeker wat betreft professionaliteit, behoorlijk veranderd sinds die vroege jaren ’80. “Wat die gasten aan bier dronken, dat dronk ik nog niet eens als water. En voor wedstrijden deden we ook niet eens een warming up. Moesten we om drie uur spelen, dan stond ik normaal gesproken om kwart over twee klaar, maar dan stond iedereen je aan te kijken: ‘wat doet die nou?’ Daar was het even in een saunaatje, klein beetje stretchen, beetje voetvolley, en dan om vijf voor drie het veld op. Riep een paar man ‘Come on lads!’, ging de fles sterke drank nog even rond, dan schoot de voorste uit de spelerstunnel de bal het veld op, en dan gingen we buffelen. Mooie tijd gehad daar.”

Kasteelheer

Sparta, dat Geert Meijer in februari 1980 terug naar Nederland haalt, is in die tijd een club zoals NAC anno 2019 al jaren probeert te zijn (en Sparta zelf trouwens ook). De club van Rotterdam speelt drie jaar lang in het linkerrijtje van de Eredivisie, heeft met mannen als Ruud Geels en Ronald Lengkeek een paar betrouwbare doelpuntenmakers in huis, speelt met ervaren krachten als Dick Advocaat en Louis van Gaal in de as, en heeft met Danny Blind en René van der Gijp een paar grote talenten in huis. Waarbij die laatste overigens, niet geheel verrassend, niet altijd even serieus met zijn eigen talent omspringt.

In Meijers drie jaar op het Kasteel wordt Ajax met 5-3 opgerold, wordt Feyenoord in de Kuip met 2-4 verslagen (drie assists van Geert Meijer), en haalt Sparta in 1983 een vierde plaats in de Eredivisie. Maar dan willen de Spangenaren uit kostenoverwegingen van de full-profs af, en Meijer kan, ondanks een basisplek onder trainer Barry Hughes, vertrekken. Hij verkast naar DS’79, maar als de Dordrechtse promovendus van speelwijze wisselt is er al na een paar maanden geen plek meer voor een linksbuiten. En zo komt hij, halverwege seizoen 1983/84, bij NAC in beeld.

Ondertussen, aan de Beatrixstraat…

HENK DE JONGE PIKT HET NIET, kopt De Stem, op zaterdag 11 februari 1984. De Bredase trots speelt op dat moment een ouderwets waardeloos seizoen in de Eerste Divisie. Het is in 1983 gedegradeerd, maar de verwachting was dat NAC, onder nieuwe trainer Henk de Jonge, en met een selectie die redelijk behouden gebleven is, had kunnen meestrijden om promotie. Maar ja, NAC en de favorietenrol…

De eerste wedstrijd is gelijk tegen RBC, de buurman, die zijn hernieuwde debuut maakt in het betaald voetbal. Van een stadion kun je amper spreken, West-Brabant voelt doorgaans toch ook als NAC-territorium, dus verwacht iedereen dat NAC gewoon wint tegen de Roosendaalse net-niet-meer-hoofdklasser. En dus vertrekt NAC natuurlijk  met een 3-0 nederlaag uit Sportpark De Luiten, een voorbode voor een paar barre, boze maanden. Een 6-4 verlies tegen Eindhoven, een 6-2 zeperd bij De Graafschap. Trainer De Jonge ligt onder vuur, maar niet alleen vanwege de resultaten: hij zou geen klik hebben met zijn elftal, en te weinig luisteren naar de behoeftes die in het team bestaan, zowel menselijk als qua speelwijze.

En daarom besluit een paar vermogende sponsoren geld neer te tellen, om zo NAC in staat te stellen een nieuwe technisch manager te halen die ‘naast’ de trainer gaat functioneren: Bob Maaskant. De oud-trainer van NAC eind jaren ’70, geestelijk vader van het Avondje NAC, heeft een groot netwerk, mag nieuwe spelers halen, mag Henk de Jonge gevraagd en ongevraagd van advies voorzien, en mag ‘mentale begeleiding’ geven aan de selectie. Maaskant, zelf oud-trainer, bemoeit zich dan ook al snel direct en indirect met opstellingen en tactiek. En dat pikt trainer De Jonge niet.

Natuurlijk zag niemand van de betrokkenen aankomen dat het nooit kan werken met twee kapiteins op één schip, en de NAC-bestuurders zullen uiteraard ontkennen dat ze Maaskant hebben binnengehaald om Henk de Jonge richting uitgang te dwingen. Maar hoewel De Jonge formeel niet opstapt (hij krijgt wel een zenuwinzinking, en belandt uiteindelijk in een psychiatrische inrichting) verdwijnt hij vanaf de winterstop wél in rap tempo naar de achtergrond, terwijl assistent Dick Buitelaar officieel de waarnemend hoofdtrainer wordt.

Het is dan ook Maaskant die Geert Meijer benadert, kort nadat de technisch manager op de Rotterdamse wielerzesdaagse min of meer toevallig DS’79-voorzitter Gerard Bouwer tegen het lijf loopt. “Voetballen in de Eerste Divisie vond ik geen probleem. Ik wilde vooral gewoon spelen, en ik wist ook wel: Eredivisieclubs gingen er waarschijnlijk niet meer komen. En op zich was het niveau in de Eerste Divisie niet slecht, Twente speelde er toen ook. Maaskant heeft me toen meegenomen naar een gesprek, daar mocht ik komen onderhandelen met Tim Meeùs, en iemand van ISPC,” zegt Meijer, daarmee ook illustrerend wie in die dagen de baas is in Breda.

Geinig

“Wacht, ik heb iets meegenomen,” zegt hij dan, vrij plotseling. Hij haalt een map tevoorschijn waar een stapeltje krantenknipsels in zitten, artikelen uit de VI met zwart-wit-foto’s, een paar handgeschreven opstellingen die hij nog uit het hoofd weet op te noemen. “Mijn zoon vond het boven in een grote koffer. Veel dingen uit die tijd heb ik nog wel bewaard,” zegt hij als uw BSR-verslaggevert een columnesk wedstrijdverslag van Kees Jansma bekijkt, over NAC-VVV, in een Voetbal International uit 1984. “Ik hield plakboeken bij. Tegenwoordig staat alles online, maar in die tijd was het bijzonder als je op Studio Sport kwam, dat was niet elke week zo, dus daar heb ik nog wel wat videobanden van liggen,” wat misschien ook verklaart waarom Meijer nog erg veel namen, plaatsen en wedstrijden opvallend scherp heeft.

Meijer komt in eerste instantie een half jaar op huurbasis, maar hij is niet de enige winterse versterking. “Johnny Dusbaba kwam er ook bij, die kende ik nog van mijn tijd bij Ajax. En Latchford natuurlijk, dus dat was wel geinig.” Wat heet geinig: achteraf is het bijna niet voor te stellen dat zo’n speler voor NAC heeft kunnen spelen, en al helemaal niet in de Eerste Divisie. Bob Latchford, Engels oud-international, jarenlang een vaste waarde bij Birmingham City, ook in 2019 nog altijd derde op de lijst van topscorers aller tijden van Everton (met 106 goals op het hoogste niveau). Hij wordt opgevist bij Swansea City, dat in twee jaar van de hoogste naar de derde divisie gedegradeerd is, maar kennelijk is Latchford zelf ook wel te porren voor een nieuw start, zelfs als het in een ver buitenland als Nederland, en ook nog eens op het tweede plan is.

“Het doel was vanaf het begin om gewoon hoog te eindigen en dan maar te zien,” aldus winterse aanwinst Geert Meijer. “Toen NAC voor mij kwam stonden ze geloof ik vierde van onderen, maar nadat ik aansloot wonnen we gelijk de eerste wedstrijd van Twente. Ik wil niet zeggen dat we in een roes leefden, we bekeken het echt per wedstrijd, maar het liep inderdaad wel lekker, we verloren na de winterstop nog maar drie keer.”

“En we ontwikkelden daardoor ook langzaam maar zeker een goed ingespeeld team. Met Tom Smits, Edy de Schepper, Ad Krijnen en ik hadden we een behoorlijk ervaren kern. Met Danny Schijvers en Krijnen stond het achterin goed, we hadden een goede keeper met Ton van Eenennaam, een geweldige spits in Bobby Latchford. En met Ton Cornelissen, Guus van der Borgt, Hans van den Dungen en Sjaak Sweres, hadden we een paar jonge talenten, dat waren echte buffelaartjes.”

Toewijding

Het team van 1984 is een mix van ervaring en talenten, en bovendien een team dat wil (en ook wel móet) knokken. Kortom, een typisch NAC-elftal, eigenlijk. “Die jonge gasten hadden bovendien de drive, er was niemand die de kantjes eraf liep. Wij, als oudere spelers, konden die jonge jongens helpen om beter te worden, maar dan moesten ze wel 200% geven, voorop lopen als we gingen trainen in het Mastbos. Ik hoorde wel eens dat die jonge gasten toen op hun tenen moesten lopen om aan te haken bij het niveau, maar dat was niet erg: we moesten gewoon winnen, elke week weer, en dan zagen we wel waar we uitkwamen.”

Die toewijding toont NAC bovendien ook vlak voor de vastentijd. “Ik heb er zelf nooit aan meegedaan, maar een aantal jongens zei: ‘we gaan carnavallen’. Zeiden wij als oudere spelers: ‘Gaan jullie carnavallen, prima, maar om 16:00 ben je er om te trainen, zelfs al loop je maar wat uit om het eruit te zweten.’ Als je dan als jonge speler maling hebt aan het team zeg je ook ‘bekijk het, we gaan lekker feesten’. Maar ze waren er toch maar mooi. OK, misschien half lam, maar toch even laten verzorgen, in bad zitten, even ouwehoeren. In die kleine kleedkamer waar je net je kont kon keren was het dan toch gezellig. En dan gingen zij er om 19:00 weer vandoor, waren ze toch geweest, hadden zij hun pleziertje, konden wij oudere spelers er buiten blijven. Iedereen tevreden.”

Aardig groepje

“Ik moet wel zeggen: qua speelwijze konden we het vooral goed dichthouden achterin. Als ik de beelden nog eens terugzie uit die tijd valt me op dat we nooit echt dominant zijn, maar we hadden wel veel scorend vermogen. Met Latchford en Van der Borgt in de spits kon je als buitenspeler de bal altijd kwijt, Sweres op rechts, ik op links, Tom Smits scoorde geregeld, Edy de Schepper pikte er een paar mee, Cornelissen verving Latchford een paar keer goed… ja, dat was een aardig groepje.”

Dat zegt Meijer met gevoel voor understatement, want NAC is na de winterstop helemaal los. Bob Latchford blijkt een schot in de roos, en scoort er dertien in zestien wedstrijden, Guus van der Borgt maakt er in één seizoen vijftien. Alle thuiswedstrijden van na de winterstop worden bovendien gewonnen, en dan is het natuurlijk al gauw goed in Breda. “Onze opdracht was wedstijden winnen, en dat deden we. En je merkte toen ook: er kwam weer enthousiasme in de club, het was fantastisch die jonge gasten elke week tekeer zien gaan, er kwamen elke week meer mensen kijken. Iedereen wilde er bij horen. En voor die Bredase jongens was dat natuurlijk leuk, want die konden dan weer de stad in, je kreeg schouderklopjes en leuke reacties als je ergens een broodje ging eten. En dan werd je ineens weer uitgenodigd voor leuke evenementen bij sponsoren, want die kregen er dan ook veel meer zin in.”

Monsterscore

Kampioen zal NAC dat jaar niet worden (daarvoor is de eerste seizoenshelft te slecht geweest), maar halverwege mei staat de ploeg van de Beatrixstraat er goed op. NAC heeft dan vier wedstrijden op rij, en zeven van de laatste negen wedstrijden, gewonnen, maar er is nog één horde te nemen: Veendam, thuis aan de Beatrixstraat. NAC moet opnieuw winnen om als nummer drie de nacompetitie te bereiken, want directe concurrent Cambuur hijgt nog altijd in de nek. 13 mei 1984 wordt een zondag om niet snel te vergeten, niet voor NAC, maar ook niet voor Meijer.

Al is het begin van de middag niet best. “Binnen drie minuten stonden we al met 0-1 achter, een foutje van Dusbaba geloof ik. Ik dacht al ‘goeiemorgen, het zal toch niet gebeuren?’ Ik had bedongen dat ik een tweejarig contract zou krijgen bij NAC als we zouden promoveren, dus toen ik uiteindelijk de 1-1 maakte was ik blij, maar ook behoorlijk opgelucht.” Maar daarna gaat het ineens rap. Bob Latchford maakt nog voor rust vier goals, na de thee loopt NAC via Van der Borgt, Cornelissen, Van den Dungen, wéér Cornelissen en Edy de Schepper uit naar een 10-1 monsterscore, de grootste competitiezege in de clubgeschiedenis, en een uitslag die in het Nederlandse voetbal pas in 2003 zal worden overtroffen (Go Ahead-Cambuur, 10-0). Dat de tiende nog valt is overigens een meevaller, vooral omdat de halve B-Side op het hek, over het hek, of zelfs al op het veld is geklommen als Cornelissen de 9-1 maakt. Want een voetbalfeestje is in de jaren ’80 niet compleet zonder (voortijdige) pitch invasion.

Tekenend voor de machtsverhoudingen binnen de club is bovendien de wissel van Bob Latchford. Het is zelfs een klein berichtje in De Stem waard: voor het hele stadion is duidelijk dat de Brummie doelpuntenmachine een blessure opgelopen heeft. Voor iedereen, behalve trainer Buitelaar. En dus springt Bob Maaskant, nog altijd slechts technisch manager, op van zijn stoel ergens hoog bovenin, schreeuwend om Buitelaars aandacht (die hij pas krijgt als een paar fans de trainer weten te bereiken), want met het oog op de nacompetitie moet Latchford stante pede worden vervangen. Uiteindelijk beveelt Buitelaar die wissel in de rust, maar het inzicht komt alsnog volledig op conto van een manager die formeel nog altijd geen rol heeft in de opstelling.

Promotie op mentaliteit

Breda viert een klein feestje met het behalen van de nacompetitie, maar de vruchten van een half topseizoen moeten dan nog worden geplukt. Zónder Latchford, die zwaarder geblesseerd is dan gedacht. De strijd om promotie wordt gestreden tussen vier ploegen uit de Eerste Divisie, dat jaar. NAC komt in een poule met De Graafschap, VVV en NEC: tegen de Nijmegenaren wint het gelijk de eerste thuiswedstrijd, uit bij VVV steelt het met hakken over de sloot een 0-1 zege. “Maar qua spelbeeld was het elke wedstrijd hetzelfde als in de competitie: we waren niet altijd dominant, maar hadden de mentaliteit om het niet te laten schieten bij een achterstand,” herinnert Meijer zich. “Iedere wedstrijd creëerden we puur op onze instelling kansen. De derde wedstrijd, uit bij De Graafschap, kwamen we achter, maar toen volgde er van onze kant een bombardement van aanvallen, daaruit maakte Van der Borgt in de slotfase de 1-1. Thuis, de wedstrijd erop, zelfde verhaal: we komen weer achter, maar dan maakt Dusbaba in de laatste minuut nog de 1-1. We hadden altijd dreiging, altijd het vermogen om er nog iets uit te halen.”

De één-na-laatste wedstrijd speelt NAC thuis tegen VVV, en dat voelt als een finale: winnen, en NAC promoveert. Bob Latchford wordt opgelapt voor zijn laatste wedstrijd in Bredase dienst, en bewijst nog eenmaal zijn waarde als hij een voorzet van Sweres terugkopt op Van der Borgt: de assist is het laatste wapenfeit voor hij vertrekt naar Coventry City.  Smits, Van den Dungen, nog eens Van der Borgt én Geert Meijer zelf maken het feest in de tweede helft compleet: NAC wint met 5-0, het wordt eerste in de nacompetitie, en is na een jaar terug in de Eredivisie. De B-Side staat in vlam.

(Dat laatste overigens letterlijk: in het feestgedruis lopen meerdere fans brandwonden op van de fakkels en nasmeulende rollen pleepapier, terwijl anderen onder de voet worden gelopen als de harde kern zich achter een hek tegen elkaar verdrukt voor een nieuwe vreugdevolle veldbestorming. Klinkt heftig, maar het is een klein berichtje in de marge van het sportnieuws in De Stem: in 1984 is het blijkbaar een betrekkelijk normale gang van zaken in een stadion.)

De slag gemist

Breda geniet nog weken na van de promotie. Financieel lijkt NAC er weer goed op te staan, en de fans hebben een half seizoen lang kunnen genieten van een leuk, herkenbaar elftal. Maar Geert Meijer, gepokt en gemazeld op het hoogste niveau, is er niet geweldig gerust op. “Bij looptrainingen in het bos begon ik gaandeweg het seizoen wel eens te denken: ‘hebben we eigenlijk wel een ploeg voor de Eredivisie?’ Van der Borgt was een prima spits, slim voor de goal, net als Cornelissen. Sweres, goeie rechtsbuiten. Allemaal goeie spelers, maar wel net op dat niveau, Eerste Divisie. Natuurlijk, aan het eind van de rit winnen we twee keer dik, maar we wonnen dat seizoen maar amper wedstrijden met gemak, we moesten er altijd voor knokken. We hadden vaak geluk, en vaak gaven we kansen weg die een niveau hoger wél zouden worden afgemaakt. Maar ja, dan zag je dat stadion weer uitpuilen met 18.000 man, dan kun je het ook niet laten lopen, dan ga je voor promotie.”

Bovendien blijkt het netwerk van Bob Maaskant geen onuitputtelijke bron van sensationele aankopen. Sterker nog: het blijft bij Wim Flight, een linkshalf, en Kees Zwamborn, een verdedigende middenvelder. Het zijn spelers die, met alle respect, normaal voor de breedte worden gehaald, en tegenover het vertrek van Latchford haalt NAC Ron Futcher en Steve Cooper, twee Engels sprekende spitsen die allebei binnen een paar maanden met heimwee uit Breda vertrekken.

En dus ziet Breda in 1984 wat het in 2019 opnieuw zal zien: NAC heeft de slag op de transfermarkt duidelijk gemist. “We speelden de eerste wedstrijd in de Eredivisie thuis, tegen Excelsior, op zaterdagavond,” herinnert Meijer zich. En ook toen werd er al een hoop verwacht van een Avondje NAC, want dan zou er spektakel volgen, publiek komen, pers. Maar het werd 0-0… Het is er geen moment uitgekomen, dat seizoen. We hadden gewoon geen ploeg die zomaar iemand onder de tafel speelde. In de Eerste Divisie presteerden we goed, en dat maakte dat het Avondje NAC weer tot leven kwam. Toen had er echt een basis gelegd kunnen worden voor de toekomst, maar dat is nooit echt tot bloei gekomen. Financieel was er kennelijk toch minder mogelijk dan gedacht, want er kwam eigenlijk niks bij. En misschien bestond er ook wel het idee dat we het ook zo wel konden proberen, dat we met een goede groep voor de Eerste Divisie het ook wel een niveau hoger zouden redden. Nou: niet dus.”

 

26 september 1984, NAC-Ajax. Veel videobeelden zijn er uit die tijd niet online te vinden, laat staan beelden waarin NAC iets goed doet. Maar een veelzeggend beeld voor dat seizoen: slecht veld, slecht voetbal, en een van richting veranderd schot dat tot de 1-2 leidt.

Dikke degradatie

Bob Maaskant promoveert zichzelf, je verwacht het haast niet, tot hoofdcoach voor de Eredivisie, maar achteraf was hij misschien liever manager gebleven. Want één van de slechtste Eredivisieseizoenen in de geschiedenis van de club, dat is 1984/85. In het debuutseizoen van Peter Remie wint NAC pas eind oktober voor het eerst, uit bij Haarlem, en van de zeven winstpartijen in totaal pakt het er twee als het feitelijk al gedegradeerd is, een paar wedstrijden voor het einde. De eredivisie is duidelijk te hoog gegrepen voor de jongens van de Paarse Heide: NAC degradeert, en dik ook.

Daar komt bij dat voor Meijer zelf de jaren ook beginnen te tellen. Hij geeft een paar assists, maakt zelf één doelpunt, maar is meer geblesseerd dan hem lief is, speelt minder dan gehoopt, en áls hij speelt merkt hij dat de tijd hem inhaalt. “We speelden tegen Feyenoord, waar Gullit toen zat, we speelden tegen Ajax, waar Frank Rijkaard het op het middenveld neerzette. Die gasten liepen me gewoon aan alle kanten voorbij. Als buitenspeler was ik afhankelijk van mijn snelheid: daardoor begon ik wel te merken dat het tijd werd om er een eind aan te breien.”

Dat einde volgt inderdaad vrij snel. Meijer maakt de degradatie uit de Eredivisie nog mee, en probeert het nog een maand of drie in de Eerste Divisie, maar dan zegt het lichaam simpelweg stop. Hij weet het dan misschien nog niet, maar Geert Meijer speelt in Breda zijn allerlaatste wedstrijd als profvoetballer, op zaterdagavond 16 november, waar hij de negentig minuten volmaakt in een met 1-2 een verloren thuiswedstrijd tegen Telstar. Er zijn nog geen 2700 toeschouwers in het stadion. Volgens De Stem is het een avond “op het ritme van een dodenmars”, in een klein verslagje in de marge van het sportnieuws, met de veelzeggende kop “Avondje NAC ten grave gedragen”.

Promoties, titels en bekers

De gestopte Geert Meijer heeft weliswaar de papieren om docent te worden, maar hij rolt het trainersvak in. En dat doet Meijer opvallend goed. De teams van DCV en Hermes DVS presteren onder zijn hoede prima, en hij promoveert twee keer achter elkaar met VV Strijen, wat maakt dat Feyenoord hem als assistent-trainer aanstelt bij het eerste elftal, in 1990. Hij beleeft er prachtige, roerige, mooie én teleurstellende  tijden met de Stadionclub, die tijdens Meijers periode twee keer de halve finale Europacup II haalt (in 1992 en 1996), en twee KNVB-supercups, vier KNVB-bekers en twee landstitels wint.

Halverwege de jaren ’90 is hij nog even in beeld om Ronald Spelbos op te volgen als trainer in Breda (dat wordt uiteindelijk Wim Rijsbergen), maar hoofdtrainer in de Eredivisie zal hij nooit worden, op een paar wedstrijden ad-interim na, als er bij Feyenoord weer eens een coach is ontslagen. Na omzwervingen door Armenië, Finland en Abu Dhabi (“een betaalde vakantie – eerst vroeg iedereen me wat ik daar in de zandbak te zoeken had, maar als ze waren langs geweest vroegen ze gelijk wanneer ze wéér mochten komen”) werkt hij nog drie jaar als jeugdtrainer en scout bij Sparta, een baan die hij combineert met het hoofdtrainerschap bij VV Strijen. Bij de geelzwarten in de Tweede Klasse D staat hij tot op de dag van vandaag nog steeds voor de groep.

Levenslessen

Maar om terug te komen op de parallellen in de geschiedenis: als de periode van Geert Meijer bij NAC ons anno 2019 iets kan leren, is het wel dat bij hoge pieken in de clubgeschiedenis de diepe dalen nooit ver weg zijn. Maar óók dat het omgekeerde waar is: zelfs in het pikkedonker van de nacht, als NAC ergens onderin de Eerste (of Ere-) Divisie doolt, kun je je vasthouden aan de historische zekerheid dat op zeker moment de zon weer doorbreekt voor de Parel van het Zuiden. Zonder de degradatie van 1999 geen Europees voetbal in 2003, immers, zonder de ellende de latere jaren ’80 geen swingend elftal midden jaren ’90, en zonder het verdriet van 1983 geen Bob Latchford, geen 10-1 winst tegen Veendam, geen promotiefeest.

Het is evenwel niet altijd makkelijk om je aan zulke levenslessen vast te houden, zeker als NAC, zoals nu, al het hele jaar met zichzelf worstelt, en de ellende van de eighties aan de deur lijkt te rammelen. “Ik bel Hans van den Dungen nog wel eens, ik kom nog wel eens in Breda kijken, en dan zie je hoe het leeft op de tribunes, hoeveel publiek er nog altijd is. Dan vraag je je af hoe het in vredesnaam allemaal mogelijk is, zoveel ellende bij zo’n bolwerk,” zegt Meijer. “Maar tegelijkertijd is dat ook het fundament waar je altijd op kunt bouwen, bij NAC. Zelfs nu ze zeven punten achter staan is het gewoon volle bak elke wedstrijd. En natuurlijk: je weet nu, met een nieuwe TD en een nieuwe voorzitter, niet hoe het gaat uitpakken, maar kijk hoe het bij Twente gelopen is. Daar was het tot afgelopen zomer óók doffe ellende, was alles onzeker, maar nu staan ze dik bovenaan, zet iedereen de schouders eronder en hoor je geen onvertogen woord meer. Degradatie ontloop je waarschijnlijk niet, en misschien zien we NAC niet meteen weer terug op het hoogste niveau, maar zelfs als het een paar jaar duurt: een club als NAC, met zulke fans, komt altijd weer bovendrijven. ‘Zal nooit verloren gaan’, dat zegt het clublied volgens mij toch ook?”

 

Bron: B-Side Rats

16 Reacties op "BSRetro: Geert Meijer"

  • Breda1965
    1 april, 2019 - 21:42

    Ik mocht hem wel ,goeie voetballer.Keeper van veendam ben ik nooit meer vergeten,oscar zijlstra,het hadden er wel 20 kunnen zijn.Scheur in mijn broek,scheur in mijn jas,de scheidsrechter floot maar af,het had geen zin meer,het veld was al van ons de B-SIDE..Geweldig verhaal BSR

    6

    1
  • E.Ricvan
    1 april, 2019 - 21:55

    Fantastisch artikel!!!!!. Maar de realiteit doet pijn

    3

    1
  • Breda1965
    1 april, 2019 - 22:20

    ik wordt oud…keeper van veendam blijkt totaal iem. anders te zijn dan zijlstra.Ach,..alzheimer

    2

    1
  • Toontje
    1 april, 2019 - 22:44

    Dat waren betere tijden dan nu, toch alles bij elkaar. Met de hele groep de stad in enzovoorts. gingen voor elkaar door het vuur.

    1

    1
  • Catweazle
    1 april, 2019 - 23:42

    @Breda1965,

    Heette die keeper niet …… Krol? Geen familie van…

    Wat een heerlijke tijd!

    1

    0
  • Dun Diëe
    2 april, 2019 - 06:38

    Wat een leuk stuk. Interessant verhaal en leuk opgeschreven.

    2

    0
  • Peter13
    2 april, 2019 - 06:55

    Mooi verhaal. Leuke vent, Geert Meijer. In zijn laatste jaar was hij inderdaad echt “op”, maar in de promotie van 1984 heeft hij een belangrijk aandeel gehad.

    1

    0
  • malpolon
    2 april, 2019 - 06:59

    Ik baal er nog steeds van dat ik die wedstrijd tegen Veendam heb gemist omdat ik naar een verjaardag moest.

    1

    1
  • van Flieger
    2 april, 2019 - 08:39

    De meeste goals vielen aan de kant van de Spionkop. Van Flieg stond toen op de Eitribune bij die 10-1.

    3

    4
  • kopspion
    2 april, 2019 - 10:09

    schiet me nog een “liedje van te binnen:
    onze Geert Geert Geert, dat Belgisch peerd peerd peerd

    1

    1
  • kopspion
    2 april, 2019 - 10:10

    werd later ook nog gebruikt bij Geert Brusselers…

    1

    0
  • D'n Portugees
    2 april, 2019 - 10:23

    Wat een heerlijk verhaal. Één en al (jeugd-)sentiment. En de Portugees stond op de Beatrixtribune bij de 10-1; wat een ongelofelijk spektakel was dat. Bob Latchford is echt held forever.

    Één puntje – zodat daar geen misverstand over is: bij de 2-0 tegen Ajax op 1 oktober 1972 (met de twee doelpunten van Addie Brouwers) was het Ajax-team dus nog wel op volle sterkte. Dus mét alle grote sterren als Suurbier, Hulshof, Cruijff, Neeskens, Rep, Mulder etc. De Portugees weet zich dat als de dag van gisteren te herinneren: het was m’n eerste wedstrijd bij NAC met m’n eigen seizoenkaart. Voor Vak A. Dat moest van m’n moeder: dan kon ik droog staan als het regende.

    4

    0
  • scheppioni
    2 april, 2019 - 12:50

    Moi stuk ! Geertje begon goed maar epte overal na een tijd weg …. het ga hem goed Geertje !

    1

    0
  • D'n Portugees
    2 april, 2019 - 14:29

    En nog wel het allerbelangrijkste (heb er de heel ochtend over moeten nadenken): de hond van Barry Hulshoff in de Chappi-reclame heette Boedha!

    Of verraad ik nu dat ik heel oud ben omdat ik dat weet??

    1

    0
  • 40jaarNAC
    2 april, 2019 - 14:55

    Met de NAC expresse naar Doetinchem. Nooit aangekomen. Trein gesloopt stond geen bank meer recht. Uit naar Venlo flikkert er een hek op het veld…ik mocht nooit meer naar een uitwedstrijd van mijn vader….er zouden nog vele uitwedstrijden volgen. Wat een tijd was dat!!

    2

    0
  • Mafkees
    2 april, 2019 - 16:13

    Ik ook stoer mee dat veld op tegen Veendam… kijk ik naar de eretribune… zit ons pa daar zijn vuist naar me te schudden 😂😂 Die kwam nooit, maar die avond heb ik het geweten ja. Maar ha, toen was het feestje toch al achter de rug.
    Bij de 8-1 de doelman van Veendam nog verteld dat hij er ook niks aan kon doen.

    1

    0