Overal waar we komen

BSRetro: Hans van den Dungen

Castor

Een kind van de club. Een speler met flair. Een jongen van de streek. Maar ook aanvoerder, de verpersoonlijking van de Bredase jaren ’80 en begin jaren ’90, en voor veel mensen hét gezicht van NAC naar buiten toe. Dat alles kun je zeggen van Hans van den Dungen (1961), nummer zes aller tijden wat betreft aantal gespeelde wedstrijden in het geelzwart (361 in totaal), tegenwoordig het aanspreekpunt voor sponsoren, maar in de magerste jaren van de clubgeschiedenis de captain van een club die viel, nog dieper viel, maar zich ook weer opwerkte.

Een icoon was hij als voetballer, maar een icoon is Hans van den Dungen anno 2020 nog steeds, zij het niet meer in een sportieve rol. Want naast zijn werk als zelfstandig lead generator namens zijn eigen bedrijf Dunga is hij, sinds 2013, voor twee dagen in de week aan NAC verbonden als ambassadeur.

“Maar in de praktijk ben ik er veel meer mee bezig dan die twee dagen,” geeft hij toe. “Want of ik namens mijn eigen bedrijf, Dunga, op een netwerkbijeenkomst ben, of namens de club op een golfmiddag voor de Business Club sta, het is de hele dag NAC voor en NAC na. Als ik maandagochtend de Kliko buitenzet heb ik mijn ogen nog maar amper open of de buurman, die nog niet eens weet of een bal rond is, begint al over NAC. En mijn telefoon gaat vierentwintig uur per dag door, of het nou Pasen, Kerst, Oud en Nieuw of Pinksteren is.”

Als we hem treffen speelt NAC later die avond thuis, en dus is het een werkdag voor Van den Dungen, gevuld met allerlei telefoontjes, maar ook verplichtingen in het stadion. “Op wedstrijddagen ben ik vooral gastheer, dan trap ik de avond af met een praatje voor de sponsoren, hou ik op een toneel een klein interview, soms met de TD, soms met de trainer, of een speler. Tijdens de wedstrijd ben ik vooral bezig met wat er op het veld gebeurt, na de wedstrijd is het vooral zien en gezien worden. Als NAC wint heb ik een makkelijke avond, als NAC verliest krijg ik vaak eerst van Jan en alleman de volle laag. Dan is het vooral mijn rol mensen uit te laten razen, ze weer even te laten lachen, en ze alsnog naar een veilige avond te loodsen. Wat bij NAC, winst of verlies, uiteindelijk toch altijd weer gebeurt. Dan staat Django Wagner op het podium, gaat de tap weer open en is het alsnog weer feest. Dat kun je eigenlijk niet goedpraten, maar ongeacht de wedstrijd staat dan iedereen in de Cordial weer in de polonaise. Dat is ook NAC: bij elkaar blijven in goede en slechte tijden.”

 

Uitdaging

Die gezelligheid is een bindende factor in de sponsorwereld rondom NAC, want, zo schat Van den Dungen, bijna 80% van de sponsoren is in Breda al decennia kind aan huis. “Veel van onze sponsoren blijven in weer en wind naar NAC komen. Die peinzen er niet over hun sponsorbijdrage op te zeggen, zelfs als ze een jaar met slechte bedrijfsresultaten hebben, en als ze er wél over nadenken worden ze gelijk teruggefloten door hun vrienden hier. Maar één mijn belangrijkste uitdagingen zit in die 20%: de mensen die hier nieuw zijn, of nog verleid moeten worden om iets met NAC te gaan doen. Je moet daarbij een goed beeld hebben van wie hier al zitten, en waar kansen liggen op nieuwe samenwerking. Kijk, als twee mensen elkaar niet kennen praten ze normaal gesproken niet met elkaar. Maar als ik bijvoorbeeld in een restaurant zit te werken, en mensen kijken naar me als ik even zit te bellen of met iemand praat, ben ik gerust in staat om op zijn minst even een praatje aan te knopen, en desnoods bij ze aan tafel te gaan zitten: dat doe ik van nature. Mijn taak is het binnen de business club dan ook om te verbinden: als commerciële man kan ik een nieuwe sponsor met een bekende in de businessclub in contact brengen. Soms heel simpel, door gewoon over voetbal te ouwehoeren, er eventueel een paar bier bij te bestellen, en dan staan ineens twee mensen met elkaar te praten die elkaar een uur eerder straal voorbij zouden zijn gelopen.”

 

In the army now

We flashen back naar bijna veertig jaar geleden: 1983. Niet vaak begint een voetballeven in het leger, maar dat is wat bij Van den Dungen, dan 21 jaar oud, in zekere zin wél gebeurt. Grote groepen jonge mannen, uit alle hoeken en lagen van de samenleving, worden tot 1997 opgeroepen om, in naam der Koningin, zich een aantal maanden gereed te houden voor een oorlog die er (voorlopig) nooit gekomen is. In de praktijk komt het neer op een paar maanden suffige klusjes doen, hier en daar wat marcheren om niks, en af en toe wachtlopen bij een pand dat niet bedreigd wordt. En, als je goed genoeg bent, af en toe een potje voetballen.

Hans van den Dungen ís goed genoeg, begin jaren ’80. “Ik moest me melden bij de Isabelkazerne in Den Bosch. Dan sta je met je tas in een zaal met 1500, 2000 jongens tussen 18 en 23, te wachten op instructies, in een enorme zaal, in de houding. Er stonden drie hoge piefen op een podium een preek af te steken: ‘vanaf nu gaat alles veranderen, van nu af word je een man,’ dat soort motiverende teksten. Maar nog voor die speech klaar was werd van het podium gebulderd: ‘Gelieve eenieder zich naar de rechterkant van de zaal te begeven, op vier namen na. En die vier zijn: Silooy! Vanenburg! Van ’t Schip! Van den Dungen!’ En toen stond heel die zaal ineens naar ons te kijken: die andere jongens stonden al in Ajax-1, speelden Europees voetbal, zaten dicht tegen het Nederlands Elftal aan, toppers in wording. En daar hoorde ik ineens bij, als één van ‘de profvoetballers’. Dan ben je tussen tweeduizend jongens met een hoop adrenaline in hun flikker ineens de man.”

Bij de soldaten moet je zijn, want topsporters hebben, ook door een symbolische functie als vaandeldrager der natie, een streepje voor. “Een geweldige tijd, eigenlijk. We lagen met alle voetballers op één kamer, en we hadden amper verplichtingen. Ja, heel af en toe een wapen poetsen, of een vrachtwagen, dat soort bullshit. En mee op mars, om het goede voorbeeld te geven. Dat wilden de heren officieren nog nét wel, zodat ze konden laten zien dat ook wij, toch een beetje de vedettes van de kazerne, in de pas liepen, en daartoe waren we dan nog wel bereid. Maar voor ons, jonge voetballers, was het eigenlijk ideaal: tot 14:30 hadden we een doordeweeks programma, en daarna konden we dan om 17:00 aansluiten bij de training van FC Den Bosch. En dan vrijdags naar huis, om in het weekend een wedstrijd te kunnen spelen.”

 

Nederlands Militair elftal

Van den Dungen treft het bovendien, want de Strijdkrachten putten uit hun dienstplichtige legioen om het Nederlands Militair Elftal samen te stellen. En dat biedt kansen voor de, op dat moment, reservespeler uit Breda. “Met het NME viel ik met mijn neus in de boter. Die jongens van Ajax deden mee, die van PSV, vanuit Feyenoord kwamen Mario Been en Henk Duut opdraven. Dan sta je als jonge speler van, met alle respect, het bescheiden NAC, tussen de grootste talenten van Nederland. Een fantastische tijd, ook omdat ik me daardoor nog tijdens mijn diensttijd kon doorontwikkelen als voetballer.”

Die ontwikkeling blijft niet onopgemerkt in Breda, en dat is niet toevallig. “Want Dick Buitelaar, coach van het Nederlands Militair Elftal, was ook part-time assistent-trainer bij NAC. Dus niet alleen stond ik bij hem al op de radar voor het NME, ik bleef zo ook in beeld in Breda. In augustus 1981 werd er op de kazerne gebeld, ik zou die avond wachtlopen, maar ik kreeg Jo Jansen te spreken. De eerste, tweede, derde en vierde keus voor de backposities waren geblesseerd of geschorst, en daarom had hij met de sergeant geregeld dat ik eerder naar huis mocht: ik moest er van uitgaan dat ik de volgende dag, uit bij NEC, zou spelen. Ik heb inderdaad meegedaan, we speelden gelijk in De Goffert, en ik ben er daarna twaalf, dertien jaar niet meer uitgeweest.”

 

Flair en lef

En daar had het lange tijd niet naar uitgezien, want Van den Dungen was in de jeugd van NAC nooit onomstreden, eigenlijk vanaf het begin al niet. “Sterker, toen ik bij NAC in de C-jeugd kwam was ik eigenlijk vooral bijvangst. Ik was bij VV Gilze, en bij schooltoernooien bijvoorbeeld, altijd bij de beteren, een snelle aanvaller, maar voor de Brabantse jeugdselecties ben ik nooit uitgenodigd, en ik was tot dan toe nooit gescout voor een profclub. Maar mijn neef John Michielsen wel: een jaar ouder, ook uit Gilze, groot, sterk, hij speelde wél bij de Brabantse jeugdselecties mee, als laatste man. Toen NAC voor hem kwam aankloppen bij mijn oom, heeft hij als voorwaarde gesteld dat ik dan óók mee moest. Daar hebben ze van NAC toen ja tegen gezegd: mijn neef moesten ze vooral hebben, en mij zouden ze, als het wat was op een proeftraining, wel kwijt kunnen in de C2 of C3. En dus mocht ik komen, bij de man met baard.”

Die man met baard is Jo Jansen, hoofd- en jeugdtrainer, scout en TD bij NAC (“tegenwoordig zouden ze zeven functies kunnen vullen met het werk wat hij deed”), maar het voetbaltechnische brein van de club is niet gelijk enthousiast over de jonge Gilzenaar. “Mijn neef kwam inderdaad gelijk in de B1, maar mij vond hij hoogstens ‘niet slecht’, ‘misschien kan hij wel iets’. Ik kwam dus inderdaad in de C2. Maar vanaf toen enorm hard gaan werken aan mezelf. En dat betaalde zich uit, want ik kwam al na één wedstrijd in de C1, en samen met mijn neef ben ik toen, vanuit de B-jeugd, vervroegd naar het tweede elftal doorgestroomd.”

Maar waar de voorkeursneef blijft hangen in zijn ontwikkeling, komt Van den Dungen juist langzaam bovendrijven. “Ik had flair, ik speelde met lef, ik had misschien wel iets speciaals. Mijn neef heeft uiteindelijk nooit een contract gekregen, maar hoewel NAC ook bij mij twijfels had, hebben ze mij wél vastgelegd. En ook niet meer als rechtsbuiten: Jo Jansen liet me al vroeg weten dat ik vooral als rechtsback kans zou hebben om het misschien te halen, áls ik het al zou halen.”

 

Wapen

Die constante twijfel aan zijn kunnen vormt Van den Dungen echter ook: hij blijkt een doorzetter, die niet zomaar opgeeft bij tegengas. “Want ik was het natuurlijk niet eens met dat idee van Jansen: ik was van nature een pure aanvaller. Maar dat geelzwarte shirt was me veel waard: ik heb het geaccepteerd, en ik heb me de backpositie eigen gemaakt, ook door het op míjn manier in te vullen. Ik was weliswaar rechtsback, maar zeker geen goede verdediger. Sommige backs zijn tevreden als ze één of twee keer mee opkomen en richten zich vervolgens op het uitschakelen van de linksbuiten. Ik kéék niet eens naar die linksbuiten! Ik wilde elke wedstrijd dertig, veertig keer mee naar voren, en laat die spitsen maar achter míj aan lopen: aanval was voor mij echt de beste verdediging. En trainers zagen dat op den duur ook: met mij hadden ze een wapen in huis. Toen we in ’84 tegen Feyenoord speelden was er vooraf twijfel of ik Simon Tahamata zou kunnen houden, maar hij heeft, toch international, vooral heel veel moeite met míj gehad. Er zijn in mijn periode maar héél weinig ploegen geweest die met drie aanvallers naar Breda kwamen.”

 

(Telefoon, want de telefoon van Van den Dungen gaat geregeld. Iemand vraagt om kaartjes voor de B-Side voor de wedstrijd van volgende week. Hij belooft te kijken wat hij kan doen.)

 

Stoute schoenen

Zijn speelstijl brengt hem succes, want Van den Dungen debuteert in 1982 in de Eredivisie bij NAC, mag af en toe mee doen, en ontwikkelt zich vanaf 1983 snel tot vaste waarde. Hij kan echter nog weinig stabiliteit brengen bij het alles-of-niks-team in die tijd. In zijn debuutseizoen, 1981/82, eindigt NAC op een acceptabele elfde plek in de Eredivisie, zonder nacompetitiezorgen en zonder Europese aspiraties, een kansloos seizoen zorgt voor een even zo kansloze degradatie in 1983, gevolgd door een promotie via de nacompetitie in 1984 (onder andere na een 10-1 overwinning op Veendam, goal van Van den Dungen). Het zijn evenwel jaren waarin Van den Dungen in hoog tempo ervaring opbouwt, assists geeft, en zich tot aanvoerder van NAC ontwikkelt. En een nog altijd jonge, maar alsnog ervaren speler, die zich als aanvallende back laat zien in Eredivisie én een niveau lager, is voor meerdere clubs interessant. Toch zal een transfer er niet komen. En niet alleen vanwege zuiver sportieve redenen.

“In het jaar dat NAC promoveerde, in 1984, waren Guus van der Borgt en ik de coming men. Hij knikte voorzetten binnen die ik hem vanaf rechts gaf, en dat maakte ons populair, maar ook interessant voor sponsoren. Rond die tijd kwamen er met regelmaat mannen in pak naar onze training kijken. Van Guus hoorde ik dat hij bij horecagroothandel ISPC ging werken, dat ze hem hielpen om de combinatie te maken met voetbal, dat hij er een dot geld bijkreeg… Dat leek me toch ook wel wat.”

En dat kán ook. Tot in de jaren ’90 hebben spelers, zeker als ze niet in het linkerrijtje van de Eredivisie spelen, in Nederland nog een gewone baan, naast het voetbal. “Ik hoefde de stoute schoenen niet aan te trekken, want die heb ik van mezelf al aan: ik sprak na een goede wedstrijd Guus Roffelse aan, eigenaar van ISPC, we hebben het even kort over de wedstrijd gehad, en ik heb hem gemeld dat ik ook graag bij ISPC zou komen werken. In dat opzicht was ik nog steeds een aanvaller, met lef om zoiets zelf te vragen. Goed, een paar sterke verhalen en tien bier verder kon ik de maandag erop om 9:00 langskomen.”

 

Kantelpunt

Maar dat valt niet helemaal in goede aarde bij zijn zaakwaarnemer-annex-oom. “Ik was best blij met mezelf: ik had voor mezelf een baan geregeld, kreeg ook een goed contract aangeboden. Maar dat hoorde mijn zaakwaarnemer pas toen ik al bij ISPC was langs geweest en ik hem erover belde. Aan de telefoon reageerde hij amper, maar hij vroeg gelijk of hij ’s avonds even langs kon komen. Nou: toen ik hem zag was hij niet blij. Hij stelde dat ik een keuze te maken had, ofwel voor een carrière met vervolgstappen in het voetbal, ofwel een carrière als semi-prof, wat zou betekenen dat NAC het hoogst haalbare zou worden. Dat is achteraf een kantelpunt geweest, want ik heb ja gezegd tegen ISPC, maar twee weken later kwam naar buiten dat er net in die periode interesse was geweest van Ajax,” mijmert Van den Dungen, die NAC bijna zijn gehele carrière trouw blijft.  

“Misschien zat er niet meer in, maar andere clubs zijn daarna nooit gekomen, of ik wilde het zelf niet. Met het voetbal en met mijn werk bij ISPC verdiende ik heel behoorlijk, als ik het bij elkaar optelde, maar toen ik een paar jaar later met Sparta sprak over een mogelijke overgang zou ik als fullprof moeten tekenen, terwijl ik 40% minder zou gaan verdienen. Dat zou niemand accepteren, en dat heb ik ook niet gedaan. En bovendien, voor mijn latere carrière heeft het me allerlei mogelijkheden opgeleverd, want ik heb me commercieel daar enorm kunnen ontwikkelen.”

Want door zijn bekende naam (en in die tijd, uiteraard, een snor en een flinke kop krullen), is hij een uithangbord voor de groothandel in contact met klanten. “Als voetballer heb je altijd iets om over te praten,” zegt hij nu. “In de Eerste Divisie, dat jaar, en zeker toen NAC in de Eredivisie speelde, het jaar erop, kwam ik nog wel eens op Studio Sport, op de zondag. Dan was het maandag meestal raak, dan herkenden klanten me en was je al snel een kwartier verder met ouwehoeren over NAC. En dat is dan gelijk een ingang: ik heb meegemaakt dat we in het weekend met 5-0 hadden verloren, dat ik een eigen goal had gemaakt, en dat op maandag een klant me daar als NAC-fan twintig minuten lang voor op mijn flikker gaf. Maar daarna heb ik hem wél een pallet wijn verkocht.”

 

(Telefoon. Of er nog kaartjes voor de Hoofdtribune zijn? Wordt moeilijk, maar Van den Dungen gaat kijken of er nog iets te regelen valt.)

 

Zomaar een Eerste Divisie-wedstrijd uit 1987: Cambuur-NAC, 2-2. Hoge kousen, korte broekskes, blaaskapel op de tribune, spreekkoren met 'olé olé', John Karelse met haar, en een fijne assist van Hans van den Dungen op Paul Bannon (vanaf 7:10). Beelden met dank aan MediaArchiefCambuur.

 

De magere jaren

Dat zakelijke instinct om sportieve herkenbaarheid om te zetten in commerciële daden zal Van den Dungen overigens, in zijn eerste jaren bij ISPC, nog vaak moeten inzetten. Want NAC is, halverwege de jaren ’80, sportief behoorlijk afgegleden. De degradant van 1985 komt in de Eerste Divisie vier jaar lang niet boven de zevende plaats uit, met een grauwe zeventiende plek op het tweede niveau als absoluut dieptepunt, in 1988 (een seizoen waarin Van den Dungen alle 38 wedstrijden meedoet). Op het veld staat een samenraapsel van plaatselijke jeugd die net-aan goed genoeg is voor betaald voetbal en spelers die nergens anders heen kunnen/mogen/hoeven, de resultaten zijn op zijn best wisselvallig (en op zijn slechtst rampzalig), en het publiek blijft weg van de Beatrixstraat, waar het imago van een broeierig, explosief en volgepakt stadion steeds verder afstaat van de realiteit, van het aftandse stadion, waar het altijd waait, vaak regent en nooit druk is. De jaren van Marcel van Helmond, van Jack Sweres, Jack Koumans, van Wim van Dongen en de gebroeders Gabriëls. En (dus) van Hans van den Dungen, die in die jaren altijd een basisplaats heeft.

Niet toevallig gaat die sportieve depressie hand in hand met de ergste financiële problemen in de NAC-historie. De executieverkoop van 1986 is een uitwas van de bijna failliete toestand waarin de Ploeg van Toffe Jongens voortleeft. En dat treft, natuurlijk, ook de spelersgroep, weet Van den Dungen. “Je verwacht als profvoetballer dat de randvoorwaarden verzorgd zijn: een voetbaltas, met nieuwe spullen, zes trainingspakken, zes shirts, zes broekjes, zes paar schoenen, dat ligt normaal gesproken allemaal klaar. Maar aan het begin van seizoen 1985/86 kom ik bij het stadion aan: geen spullen. Voor niemand. Sommigen hadden nog wat reserveshirts liggen, maar daardoor was het één grote kleurenkermis op de training. Dus ik stap naderhand naar de trainer, Hans Verèl. ‘Wat is dit?’, vroeg ik, ‘dit is nog erger dan hoe het er bij VV Gilze aan toe gaat! En morgen spelen we: waar lunchen we? Waar dineren we?” Maar ik kreeg alleen maar als antwoord: ‘Zelf meenemen…’."  

 

Sjaal

“Het had niks meer met betaald voetbal te maken. En daardoor was ik een lastige voor Verèl. Ik kwam zeiken, zeuren. Ik wilde voor iedereen gelijke kleding hebben voor de wedstrijd, in de bus iedereen hetzelfde pak. Ik hield van orde, van uitstraling. Wij zijn NAC, we hebben ook iets te verkopen: we zijn een uithangbord, een visitekaartje. Maar nu moest iedereen het zelf maar uitzoeken: ik heb toen soms nog wel eens wat kunnen regelen bij een sponsor, daar was ik toen ook al mee bezig, maar de club had geld voor niets.”

Dat gebrek aan middelen uit zich ook in de contractonderhandelingen tussen speler en club. “Die deed ik met voorzitter Frans Derks, met zijn kobaltblauwe sjaal. Ze zaten met drieën tegenover me in dat houten kietje van een clubgebouw. Er waren al een paar anderen voor me geweest, die kwamen lijkbleek terug, want die wisten na hun contractbespreking wel dat het alarmfase één was. Daar trok ik me nog niet teveel van aan, want ik was nog vrij jong, ik was aanvoerder, ik was belangrijk, kind van de club. Maar het eerste wat ze zeiden: ‘Hans, we zitten hier zoals je weet, om contractverlenging te bespreken. Vertel ons eerst eens even hoe graag je bij NAC wil blijven, en vraag twee: hoeveel geld ben jij, als echte NAC’er, bereid om van je salaris in te leveren?’ Dat zijn pittige gesprekken om te voeren als je 24, 25 bent.”

 

Mooie Cor

De gemiddelde NAC-historicus weet echter dat in die wanhopige tijden ook de fundamenten worden gelegd voor de vlucht naar boven. Zodra de ergste financiële problemen zijn opgelost kan NAC gaan bouwen. En dat doet het, in de late jaren ’80, aan een ploeg met een Bredaas/Oosterhouts/Gils gezicht, die aanvallend voetbal speelt en (zeker thuis) spectaculaire wedstrijden speelt. Van den Dungen, met Peter Remie de trein op rechts, is al die tijd aanvoerder van het elftal, het gezicht van het team naar buiten toe als plaatselijke krant De Stem een reactie nodig heeft, en (mede) hofleverancier aan assists voor iconen als Van Hooijdonk en Cornelissen, helden als John Lammers en Guus van der Borgt, maar ook minder goed onthouden topscorers als Rob Landsbergen, Dennis van der Gijp en Paul Bannon. In 1989 komt de ploeg van toffe jongens nog net tekort voor een nacompetitieplek (hoewel het thuis maar liefst tien keer wint), maar vanaf 1990 speelt het vier jaar op rij om promotie in de seizoensepiloog. “Door die mooie jaren vanaf 1988 heb ik ook nooit het idee gehad dat ik zo lang Eerste Divisie heb gespeeld,” kijk de rechtsback nu terug. “Het stadion zat in die tijd vol, we speelden geweldig voetbal, het was elke week gekkenhuis aan de Beatrixstraat: het was eigenlijk in alles alsnog Eredivisie.”

Dat doet het in de eerste jaren onder leiding van Cor Pot, iemand die Van den Dungen beschrijft als “een charmeur, een man met flair, een beetje een dandy: niet voor niks heet zijn biografie nu ook ‘Mooie Cor’. Maar vooral ook een people manager, en een goed mens. Hij stond altijd bekend dat hij een föhn bij had, iets wat zeker toen totaal niet paste bij voetballers. Maar hij liet zich voorstaan op zijn voorkomen, en daar maakten we ook wel gebruik van. Soms gaf ik hem een compliment, over zijn auto van de club, of over zijn clubkostuum, dan kon ik die week niet meer kapot bij hem.”

 

Kaufbeuren

Pot krijgt echter niet alleen kleren en een wagen, maar ook een vriendenploeg tot zijn beschikking. Want de ellende onder Hans Verèl heeft een harde kern in het team gesmeed die zowel óp als buiten het veld de kar trekt. “En dat heeft Pot veel opgeleverd, maar we hebben  hem ook wel eens boos gekregen,” herinnert Van den Dungen zich. “We waren in Kaufbeuren op trainingskamp, in augustus 1991, in Duitsland, zoveelduizend kilometer met de bus. Bij aankomst, een uur of 18:00, schieten we gelijk het stadje in, even kijken waar het gezellig is, voor als we later ‘stiekem’ willen wegglippen. Ergens rond een uur 19:15 hadden we één tentje gevonden met vier man binnen, dan moest het daar maar. Om 20:45 waren we er terug, na het eten, maar toen zaten er geen vier maar veertig man binnen. En om 21:00 zestig. En om 21:30 honderd. Die hele zaak bomvol met gezelligheid! We wisten dat we om 23:00 controle op de kamer zouden krijgen, en een paar jonge jongens, ideale schoonzonen, dropen af, keurig naar bed.”

“Maar wij bleven met een harde kern over, Pierre, Remie, Lokhoff, Karelse, Danny Schrijvers, in een tent zo vol dat de wasem op de ruiten sloeg, zodat je niet meer van buiten naar binnen kon kijken. Om 23:30 vroeg iemand: ‘wat doen we? Want we moeten naar huis!’ Maar ach nee, we bleven, nog een uurke, we deden toch niks fout? Het is gezellig, we blijven hier. We staan hier met zijn hele basisteam, laat die trainer kwaad zijn als hij wil. Dus rond 01:00 bedachten we: ‘als we bij het raam gaan zitten zien we hem misschien nog aankomen’… Maar ja, precies op dat moment stond Cor Pot buiten met zijn mouw over de ramen te vegen om naar binnen te gluren… Dat werd een straftraining, de volgende ochtend.”

 

(Telefoon. Iemand wil drie kaartjes voor Vak-G hebben voor vanavond. Van den Dungen moet ‘nee’ verkopen, want daar is het stijf uitverkocht.)

 

21 maart 1992, NAC-Cambuur 0-2. Een geweldige reportage (van Sierd de Vos) van een Avondje NAC in 1992, als Cor Pot is vertrokken en Jo Jansen weer voor de groep staat. De Beatrixstraat, de B-Side, de baard, de bruine clubkostuums, de BOBO-promotions-merchandise, alles is geweldig aan dit filmpje. Behalve de uitslag.

Hesjes

We springen een klein stukje in de tijd vooruit. Wie de namen van de feestgangers ziet weet namelijk dat de promotie van NAC dan al niet lang meer kan uitblijven, want het team dat in 1991 promotie misliep, en in 1993 in Den Bosch het Eredivisieschap veiligstelt, is dan al bijna compleet. Cor Pot zal dat echter niet meer meemaken, want die wordt in oktober 1991, als de resultaten aanhoudend pover zijn in de eerste post-Jay-Driessen-kater-maanden van 1991/92, ontslagen. Na een interimklus voor Jo Jansen (wie anders) en een kort Bredaas avontuur voor trainer Piet de Visser (die in de winterstop van 1992/93 wegens hartklachten terugtreedt), komt Ronald Spelbos in beeld als nieuwe trainer van NAC.

Waar voor Peter Remie de kansen ten goede keren, heeft de komst van Spelbos voor de loopbaan Hans van den Dungen echter een heel andere betekenis gekregen. Want met Spelbos gaat er een nieuwe wind waaien in Breda. De resultaten zijn, tot aan de kerst van 1992, gewoon slecht voor een titelfavoriet, met puntverlies tegen laagvlieger Telstar, verlies tegen middenmootploegen als AZ en Haarlem. Met een 4-0 nederlaag bij NEC gaat NAC de winterstop in, als teleurstellende middenmootploeg in een Eerste Divisie die het eigenlijk had willen domineren.

Op het trainingskamp in Zeeland krijgt de selectie voor het eerst met Spelbos te maken, na de jaarwisseling. “En daar begon Spelbos te trainen met zijn beoogde basiself. Ik had tegen NEC echter mijn vierde gele kaart gepakt, waardoor ik geschorst was voor de eerste wedstrijd na de winterstop, AZ thuis. Ik kreeg een hesje aan, want ik trainde mee als reserve, dat begreep ik. Die eerste wedstrijd tegen AZ werd met 4-2 gewonnen, Koumans stond op mijn plek die wedstrijd. Goed, ik deed op maandagavond mee met het tweede, zoals alle reserves, geen punt. Maar op dinsdag, en op woensdag, en op donderdag trainde ik nog steeds mee met de ‘hesjes’. Dus daar heb ik Spelbos toen naar gevraagd, want het kon er bij mij niet in dat ik, als aanvoerder, met meer dan 300 wedstrijden en tien jaar in de basis, er ineens niet meer in stond, omwille van één wedstrijd. Maar ja: hij was de winnende trainer, hij hóefde niets te veranderen. Hij snapte dat het voor mij raar was, maar hij liet het staan zoals het was.”

 

Bitterzoet bedankje

Als NAC vrijwel foutloos, en met geweldig voetbal de tweede seizoenshelft doordanst, als het stadion steeds voller wordt, de B-Side zich elke wedstrijd meer roert, en als het team zichzelf van matige middenmoter tot promovendus in kampioensvorm verheft, wint het twaalf keer in zestien wedstrijden, en laat het ook in de nacompetitie geen punt liggen. Maar dat doet het allemaal zonder Hans van den Dungen, die zich tijdens de val, het dieptepunt en de wederopstanding heeft ontpopt tot symbool van de herrijzenis op het geelzwarte toneel, maar tijdens het slot van de drie-acter bruut uit de voorstelling wordt geschreven.

“Met terugwerkende kracht was het gesprek met Spelbos voor mij een breekpunt. Ik wist ook vrij snel dat NAC vooral met full-profs wilde gaan werken, dus voor mij was er, ook bij promotie, geen plek meer. NAC heeft me, in goed overleg, geen aanbieding gedaan voor het jaar erop, want ik zou hoogstens veertiende of vijftiende man worden, en voor zo'n rol had ik kennelijk teveel respect opgebouwd. Maar door mijn werk bij ISPC waren mijn opties voor andere clubs ook dun gezaaid.”

En dus is het einde van zijn actieve NAC-tijd bitterzoet. “In die promotiewedstrijd tegen Den Bosch mocht ik, misschien uit medelijden, och arm, nog een paar minuten meedoen. Ik hoorde het publiek ‘Hansje bedankt’ zingen, want er was al bekend dat ik ging vertrekken. Dat was ergens mooi, maar eerlijk gezegd heb ik aan heel dat promotiefeest maar heel weinig plezier beleefd: ik ben NAC in die allerslechtste tijd trouw gebleven, een paar jaar eerder stonden we allemaal in eigen kleren op de training en stond ik mijn eigen boterhammen te smeren, maar nu het eindelijk weer goed ging was ik er niet bij. Het is soms een harde wereld, dat voetbal.”

 

Ambassadeur

Van den Dungen verruilt in 1993 NAC voor VV Hoogstraten, wat hij nog goed kan combineren met zijn werk bij ISPC, maar zegt het betaalde voetbal in 1996 definitief gedag. Als na twee jaar NAC opnieuw voor hem komt, maar dan op een commerciële functie, is hij er met John Peek snel uit: vanaf 1998 is Van den Dungen de nieuwe commercieel manager van NAC, een rol die hij tot 2012 vervult. Na een korte periode zonder werkzaamheden in en om ’t Rat Verlegh (de periode-Stefaan Eskes) wordt hij in 2013  als ambassadeur van NAC teruggehaald: Van den Dungen werkt sindsdien als zelfstandig ondernemer, rondom sponsorevenementen en wedstrijden, als verlengstuk van de commerciële afdeling. Een ambassadeur ben je echter de klok rond. “Al vanuit mijn tijd als voetballer en vertegenwoordiger bij ISPC kennen mensen in de regio Breda me als ‘meneertje NAC’, het staat nog net niet op mijn voorhoofd getatoeëerd. Het is eigenlijk elke dag, de hele dag NAC. Mijn vrouw, Marion, en later mijn twee zonen Boy en Rick, weten er alles van: altijd NAC, NAC, NAC. Het was soms wel eens teveel van goede, maar ze hebben mij  er altijd in gesteund. NAC is bepalend in mijn leven en zo hebben zij dat ook ervaren.”

“En zeker als NAC verliest krijg ik een hoop over me heen. Over de spelers, over de trainer, over de TD, over het bier wat doodslaat, over de muziek die te hard staat, niets deugt er dan. Dan sta ik tot een uur of 23:00 min of meer conducteur te spelen. Maar als NAC wint merk ik dat de hele week, dan is de stand weer wat prettiger om aan te zien, zijn mensen toch weer wat hoopvoller, en dan heb ik bij netwerkbijeenkomsten weer een makkelijker binnenkomer. Kijk naar vorig jaar, toen het eigenlijk in februari al duidelijk was dat het een aflopende zaak was. Dan is het een jaar lang chagrijn. Maar begin dit seizoen, als de jongens het publiek vermaken, bovenin meedraaien, wedstrijden winnen, dan is iedereen blij. En goed, nu loopt het misschien niet, maar zeker tijdens de eerste periode was het weer elke keer genieten, tijdens en na de wedstrijd. Dus ja, op zulke momenten ga je je bijna gaan afvragen: is het dan altijd beter in de Eredivisie?”

 

Bron:
B-Side Rats
Terug naar overzicht
22 Reacties
14    
Dun Diëe

"Op het veld staat een samenraapsel van plaatselijke jeugd die net-aan goed genoeg is voor betaald voetbal en spelers die nergens anders heen kunnen/mogen/hoeven."

Dat klinkt me angstwekkend bekend in de oren...

6    
Ojee

Gofferderrie Hans, nog voor ik die lap tekst heb gelezen: je ziet er weer patent uit, kul.

7    
ome cor

Ik herinner me nog dat Hans altijd zijn fotokaarten voorzag van een handtekening én van zijn geliefde rugnummer 2.

Volgens mij hadden spelers toen nog geen vaste rugnummers, dus was het maar om aan te geven dat hij dé rechtsback van NAC was.

8    
Sjef de gevulde koek

Hans is Nac

9    
WillemBreda

Hahaha, Dunga pleegde de föhn ook geregeld te gebruiken hoor. En niet alleen toen, denk ik zo te zien...

9    
Wanny

Mooi stukje BSR!

5    
Scheppioni

Mooi om te lezen Bsr ! Hadden jullie alleen zijn prachtige goal niet meer in de promotie wedstrijd tegen vvv in 1985 na een prachtige 1 tweetje met Ton Smits !?

-13    
Een ander geluid

Wat een lap van een tekst maar wel leuk !
Een echte clubicoon en sympathieke vent !

Waar ik benieuwd naar ben BSR is het antwoord wat Hans heeft gegeven op de vraag : " Je bent een NAC man, hoeveel wil je inleveren Hans ?".

2    
Scheppioni

1984 bedoel ik en mooi om Paultje Bannon ook nog in het filmke te zien !

2    
TheMode

Leuk om te lezen. En het verleden wordt altijd wat mooier als het lang geleden is :)

10    
Judge M.

Mooie vent en inderdaad de smeerolie op de sponsortribune, ook bij uitwedstrijden. Hoort net als Ben vaN Bilzen bij het erfgoed van de club.

Oh ohohohooo!

-28    
Piet

Vrijdag:

Jong NAC- Jong AZ 0-2

Met dank aan: Van Weelde, Burema en Van Aalst!

14    
Dun Diëe

"Op het veld staat een samenraapsel van plaatselijke jeugd die net-aan goed genoeg is voor betaald voetbal en spelers die nergens anders heen kunnen/mogen/hoeven."

Dat klinkt me angstwekkend bekend in de oren...

2    
Da Huge

Voor de mensen die aan het miepen waren over gebrek aan lengte van de podcast. Hier kan je je hart ophalen!

4    
RaraNAC

Mooi stuk bsiderats.
En dit zou je dus ook als podcast kunnen doen!
Zo lopen er nog genoeg NACcers rond die wat te melden hebben!

5    
Breda 1965

Heimwee naar de beatrixstraat

5    
Buurman

Ïn de eerste plaats mooi verhaal. In zo'n lang stuk dat een goede weergave is gaat kruim zitten. Complimenten Bsiderats redactie. Jullie doen het toch maar. Hans stond ook bekend als een levensgenieter en niet iedereen was daar altijd gecharmeerd van. Maar niet te ontkennen valt dat Hans het zowel op voetbalgebied als commercieel heel goed heeft gedaan. Uiteraard ook een beetje geluk gehad , maar zonder geluk vaart niemand wel. In het stuk komt wederom prominent naar voren dat bij ons NAC de polonaise toch wel wordt gelopen. Naar mijn mening is daar niks op tegen mits je behoorlijke resultaten weg zet. Ons eerste elftal, het boegbeeld, moet snel weer resultaten weg gaan zetten. En daar is een goed beleid voor nodig waardoor er weer goeie voetballers in Breda willen en kunnen spelen. Als we doorgaan zoals nu valt er straks geen polonaise meer te lopen.

1    
Buurman

Rectificatie ; ...en het commercieel nog steeds goed doet...

6    
Real Robert

Als sponsor altijd prima contact mee gehad en mee samengewerkt.
En voor de negatievelingen: er is geen koe zo bont of er is wel een vlekje aan! Je moet van Hans natuurlijk geen God maken, dat was hij al voetballer ook niet. Als Nac-speler
wel een klasbak. Zulke missen we nu node.

6    
Robbie Rafello

Kektum staan: Dunga -Maldini"-van den Dungen

3    
Dutchbird

Ik vind Hans de verpersoonlijking van de afgelopen 40 jaar NAC. Geen groot talent, geen groot geld, maar wel een survivor pur sang. Niemand die NAC en de business regio beter kent dan Hans.

1    
Bob

Een mooi verhaal van een mooie voetballer en een mooi mens

1    
Joop van Eck

Superleuk stuk Hans!! Ik kan me die goede oude tijd nog goed herinneren bij de NAC jeugd op de Beatrix. Ook speelden we toen samen in het militaire elftal met de door jouw genoemde namen van de landmacht. Later kwam daar onze huidige bondscoach Ronald Koeman vanuit de Lucht macht nog bij. Mooi teampje. Grtjes joop van eck

Laad alle berichten na dit bericht in
Nee
Ja