Overal waar we komen

BSRetro: Arno van Zwam

Castor

Je hoeft niet veel wedstrijden te spelen om een stempel te drukken op de NAC-geschiedenis. Arno van Zwam (1969) doorstond de degradatie-play-offs van 2006, vervulde een heldenrol in Amsterdam in 2004, en had als keeperstrainer een behoorlijk aandeel in de ontwikkeling van Jelle ten Rouwelaar tot derde keeper van Nederland. Over mensen prikkelen, ジュビロ磐田, en de voldoening van trainen met kinderen.

Als we Arno van Zwam spreken doen we dat vandaag telefonisch: een ontmoeting face-to-face wordt bemoeilijkt door een kilometer of 4000 en een Egeïsche Zee tussen Breda en hem in. Van Zwam is namelijk net geëmigreerd, naar Cyprus. “En dat hebben we gedaan om ons echt te vestigen. De kinderen zijn het huis uit, en als keeperstrainer zoek ik de uitdaging na Nederland vooral elders, dus dit was hét moment om een nieuwe omgeving op te zoeken. Ik heb in Japan gezeten, in Dubai, in Israël, en nu kreeg ik de kans om als keeperstrainer te werken met Bert van Marwijk, bij de nationale ploeg van de Verenigde Arabische Emiraten. Ik woon gedurende de ‘gewone’ weken op Cyprus, waar ik op basis van TV-beelden de vijf belangrijkste keepers mag analyseren, en in de interlandweken mag ik voor de wedstrijden op en neer vliegen.”

Dat is wel even wat anders dan op vaste tijden dagelijks op het veld staan. “Je wil ergens naar toewerken, maar dat kan nu telkens maar heel kort, in periodes van tien tot twaalf dagen waarin je je keepers onder handen hebt. Maar wat het leuk maakt is dat je keepers in de Emiraten nog een hoop kunt leren. Natuurlijk, idealiter heb ik er nog een club bij. Maar laten we wel wezen: het leven hier is genieten. We hebben elke dag prachtig weer (op moment van schrijven is het gemiddeld een graad of 27, en dat in november, red.), ik ga vaak met de hond naar het strand, ik golf graag dus ik zie regelmatig een golfbaan, ik ben bezig met het opzetten van een keepersschool, en alsnog heb ik genoeg te doen om mijn trainingen voorbereiden en analyses maken. Dus nee, hier wonen is bepaald geen straf.”

 

My mama said

Arno van Zwam groeit op in Beneden-Leeuwen, een dorpje onder de rook van Tiel, maar verhuist naar Limburg om de CIOS te gaan doen.  “Een hele stap voor een jongen van vijftien, om zo ver van huis een sportopleiding te gaan doen. Maar ik stond er niet helemaal alleen voor: mijn moeder had contact met de moeder van Anton Janssen, die toen bij Fortuna Sittard speelde (en die later met PSV de Europacup zou winnen, red.), want we kwamen allebei uit hetzelfde dorp. Het leek haar een goed idee om me, zo voor het eerst op mezelf, eens in de week bij Anton langs te sturen, zodat ik in ieder geval nog eens warm zou eten. Toen er bij Fortuna een keeper ziek was heeft Anton geregeld dat ik eenmalig mocht invallen op een training, maar ik ben uiteindelijk veertien jaar gebleven.”

Het zal echter een tijdje bij trainen blijven, want het duurt liefst acht jaar voor Van Zwam zijn debuut zal maken in De Baandert. “Die eerste jaren had ik Ruud Hesp voor me. Groot talent, onbetwist nummer één (Hesp speelde later nog bijna 100 wedstrijden voor FC Barcelona, red.). Na een degradatie en mislukte promotiestrijd ging Hesp in 1994 alsnog weg en kreeg ik eindelijk de kans, onder Pim Verbeek. En het was ook wel tijd ook, want ik werd inmiddels wel behoorlijk ongeduldig: de eerste drie jaar als reserve was alles leuk en aardig, maar nu ik was 24, ik wilde spelen, terwijl Fortuna eerder al aanbiedingen op mij had weggewuifd. Waaronder één van Willem II, trouwens, dus misschien maar goed dat dat niet door is gegaan,” glimlacht de Leeuwenaar.

 

18-4-1999, Ajax-Fortuna Sittard. De Limburgers winnen met 1-3 in de Arena, mede dankzij een paar goede reddingen van Arno van Zwam (niet geholpen door gemiste kansen van bijvoorbeeld Regilio Simons, maar dat terzijde).

 

Stuntploeg

Maar áls hij er eenmaal instaat blijft Van Zwam staan ook. Hij maakt zijn debuut tegen Heracles, en blijft vervolgens 34 wedstrijden in de basis; Fortuna, tiende in de Eerste Divisie in 1994, wordt kampioen. “Per ongeluk, kan ik wel zeggen,” stelt de veruit minst gepasseerde keeper van dat seizoen (27 tegengoals). “Fortuna had net afscheid genomen van allerlei dure spelers van het jaar ervoor, en besloot met jonge gasten uit de regio voor een driejarenplan te gaan. Met Kevin Hofland, Fernando Ricksen van 18, Mark van Bommel van 17, waarvan je toen al wel zag die zéker ver ging komen. Vooraf hadden we niet gedacht dat we een rol van betekenis zouden spelen, maar het kwam uiteindelijk heel mooi samen.”

Die lijn trekt Fortuna een niveau hoger lekker door. Tot het eind van de jaren ’90 ontwikkelen de Zitterders zich, onder Bert van Marwijk, tot een stabiele middenmoter, die achter elkaar dertiende, elfde en zevende wordt in de Eredivisie. Een stuntploeg die in 1997 met 1-3 bij Feyenoord wint, in 1999 met dezelfde cijfers bij Ajax (twee goals van goalgetter/vlijmscherpe spits Regilio Simons), in Eindhoven PSV verslaat in de halve finale beker, en vlak vóór die finale de Eindhovenaren in de competitie met 6-4 aan de kant zet. Dat die bekerfinale uiteindelijk verloren gaat is jammer te noemen, maar het is, voor vaste nummer één Arno van Zwam, sportief misschien wel de beste tijd uit zijn leven.

 

Barricaderen

Maar tijden veranderen. En wat vaker klinkt over die tijd zo net na Sport7 en de geëxplodeerde salarishuishoudingen: profclubs leggen hun prioriteiten soms op vreemde plekken. “Mijn ambitie was in eerste instantie niet veel verder dan de basis van Fortuna: we speelden mooie wedstrijden, zeker in dat oude stadion, hadden een goede ploeg, een goede trainer. Maar later, het seizoen na de bekerfinale, begon ik toch wel om me heen te kijken. Sportief ging het al wat minder met Fortuna, de grote talenten vertrokken, en ik verbaasde me over de contractaanbieding die ik als kind van de club kreeg, zeker in vergelijking met de salarissen die er geboden werden aan nieuwe spelers. In 2000 meldden vervolgens Watford, Sheffield Wednesday én Wimbledon zich, drie ploegen uit de Premier League. Daar had ik natuurlijk wel oren naar, maar die degradeerden dat seizoen vervolgens alle drie…”

Flash forward naar de zomer van 2000, aan een Spaanse costa. Hans Ooft aan de lijn, oud-trainer van Utrecht, die inmiddels aan de andere kant van de wereld werkt.

“Of ik naar Japan wilde komen… Ik wist niks van Japan, maar ik had nog geen club voor het nieuwe seizoen, en ik ging ook niet bijtekenen. ‘Ze komen je halen! Je moet naar Japan komen!’, Hans wist het zeker. Ik ben na mijn vakantie met mijn zaakwaarnemer naar het Hilton in Rotterdam gegaan, waar we de hele nacht met een delegatie Japanners hebben gezeten.”

“In die tijd was de J-League competitie van zestien ploegen, in twee stages, halve competities van vijftien wedstrijden. In de drie weken tussen die stages in zochten Jubilo Iwata een ervaren keeper: ik was precies dertig, had precies 200 wedstrijden betaald voetbal gespeeld. Hans Ooft was een grote meneer in Japan, en hij had gezegd dat ze Van Zwam bovenaan het lijstje moesten zetten: ze waren daar duidelijk met een missie in die hotelkamer.”

“We zaten met drie mensen van Jubilo, plus een Rotterdams-Japanse tolk. Ze deden me een aanbieding, waarna ik met zaakwaarnemer ik toch even een luchtje gaan scheppen. ‘We gaan voor de deur zitten, anders zijn ze dadelijk weg!’ riep ik, want ik moest echt even met mijn ogen knipperen: het was een fantastische aanbieding, met bedragen die ik bruto had bedacht maar die netto bleken te zijn. Maar ja, zij hadden haast, twee dagen later moest ik er al heen, want twee weken later begon de competitie al.”

 

オランダのゴールキーパー

En zo stapt Van Zwam, een vliegreis van dertien uur verder, plotsklaps een nieuw leven tegemoet. Een hectisch begin van een nieuw avontuur. “Ik had een huis dat ineens verkocht moest worden, een gezin dat mee moest, een vrouw, en twee kinderen die naar internationale school zouden moeten. Maar twee dagen later zát ik ook in dat vliegtuig. Ik heb het bijna niet overlegd thuis: het was een kans waar ik wel ja op móest zeggen.”

Met een nieuw land, een nieuwe club en een nieuwe status (“volgens mijn werkvisum was ik entertainer: ik kwam elke vrijdag, zaterdag, of zondag een stukje opvoeren, een soort popster”) is ook een hoop prestige gemoeid, wat betekent dat zijn nieuwe werkgever ook een extra stap wil zetten voorアルノ・ヴァン・ズワム (A-ru-no va-n Zu-wa-mu, voor wie katakana niet machtig is). “Japanners zijn ontzettend betrouwbaar. Ik had in Rotterdam op één A4-tje getekend, en daar werd van alles in beloofd: huisvesting, salaris, tekengeld, vervoer, vliegtickets voor mijzelf en mijn familie. Mijn zaakwaarnemer was wel bekend met Japanners, en die wist: als ze beloven ergens zorg voor dragen, dan dóen ze dat ook. Ze willen dingen goed voor je regelen.”

Ook inbegrepen: een tolk. Iets wat misschien ook wel nodig is, want Jubilo Iwata kent een selectie met één Braziliaan, één Joegoslaaf, en verder alleen maar Japanners. “In het begin kreeg ik van de club 24 uur per dag een tolk. En die gaat in het dagelijks leven mee, naar de bakker, naar de bank, naar het restaurant, naar de supermarkt, tot in de kleedkamer op de club aan toe: als ik ging zitten, ging hij zitten, als ik opstond stond hij ook op. Maar het was niks voor mij om afhankelijk te zijn: na twee dagen ging ik dan ook dingen alleen doen. Alleen val je natuurlijk op, als gaijin (buitenlander, red.), dus toen ik zonder tolk in de stad werd gezien moest ik bij de manager komen. “Wat is er aan de hand? Je was alleen op pad! Doet je vertaler zijn werk niet goed? Want dan ontslaan we hem, en krijg je een nieuwe!” Moest ik met handen en voeten uitleggen, in mijn beste Engels-Japans, dat het absoluut niet aan de tolk lag. Ze waren bang dat ik me niet verstaanbaar kon maken, dat ik geen fijn leven zou hebben. Zo denken ze daar.”

 

De tol betalen

Maar ook financieel is Jubilo de flauwste niet. “Ik  voetbalde in Iwata, in prefectuur Shizuoka, maar ik woonde in Seto, net buiten Nagoya, waar de internationale school voor mijn kinderen was. Tussen Nagoya en Iwata was het ongeveer een uur rijden. Geen probleem. Maar pas aan het eind van de eerste maand op en neer rijden kwam ik erachter dat de weg die ik dagelijks nam een tolweg was, waar ik omgerekend 129 gulden per dag aan tol had moeten betalen! Als je dat in Nederland niet in je contract had opgenomen kon je zelf betalen, maar in Japan werd het allemaal voor me opgelost, geen probleem. De internationale school voor een jongetje van vier-en-een-half: twintigduizend gulden per jaar. Er was wel over gesproken in Rotterdam, maar ik had alleen gehoord ‘dat komt wel goed’. Dat stond niet zwart op wit in mijn contract, maar het werd gewoon geregeld.”

“Nog zoiets: ik had afgesproken dat ik een vast budget per maand voor een woning kreeg. Maar ik moest van de club óók een appartement in Iwata hebben, voor als ik moe was, of laat terugkwam van een wedstrijd. Al bij al was ik daardoor veel meer geld per maand kwijt, ver boven het budget. Ik ben naar de clubpresident gegaan, en ik heb het maar netjes gezegd: ‘ik zit boven budget, ik betaal het terug’. Maar nee, ook dáár zorgde de club voor. Jubilo was, zoals alle Japanners, in alles heel behulpzaam en gul, er kón ontzettend veel. Wat misschien ook samenhangt met de prestaties, want we deden het sportief natuurlijk goed.”

En dat is misschien nog wel een understatement. In die jaren is Jubilo Iwata een topploeg in Japan, die met Kashima Antlers structureel om de titel strijdt, terwijl Jubilo in 1999 de Aziatische Champions League gewonnen heeft. In het eerste jaar van Van Zwam haalt Jubilo, met de Nederlander in de basis, opnieuw de finale van de Champions League, die verloren gaat tegen het Zuid-Koreaanse Suwon Blue Wings. In 2001 wordt de keeper zelfs opgenomen in de J-League Best XI, als doelman van het jaar; met Jubilo wordt Van Zwam in 2002 kampioen, als de eerste ploeg die beide stages van de J-League in één jaar weet te winnen; bekerwinst in de Emperor’s Cup volgt in 2003.

 

3 augustus 2002, Jubilo Iwata-Gamba Osaka. Negen goals, gillende schoolmeisjes, winst voor aanstaand kampioen Jubilo, en nog meer gillende schoolmeisjes.

 

Oververhitte derby

Zo rond het WK van 2002 betrekt Jubilo bovendien een nieuw stadion, wat het gaat delen met Shimizu S-Pulse, de tweede club van de prefectuur, waarmee het team van Van Zwam de Shizuoka Derby uitvecht. Wie echter verwacht dat de derbygevoelens vergelijkbaar zijn met Liverpool-Manchester United, Roma-Lazio of NAC-buurvrouw, komt bedrogen uit. “Het werd een derby genoemd, maar daardoor krijg je een verkeerd beeld van voetbal in Japan. Het publiek bestaat daar voor tachtig procent uit voornamelijk gillende meisjes in schooluniform, en misschien twintig procent fans die een voetbalshirt dragen en vooral fanatiek met vlaggen zwaaien. Het is gewoon, tja, heel vriendelijk.”

De verhitting van een derby zit hem in Japan echter wél in andere dingen. “Want er is wel een flink klimaatverschil: het is in Japan behoorlijk heet in de zomer, en de competitie duurt daar van maart tot december, dus alle warme dagen sta je op het veld. Voor wedstrijden zie je dan ook: je staat hoogstens tien minuten buiten voor een warming-up, maar de rest werk je binnen af. De helft van de spelers ligt bovendien aan het infuus, bij mijn eerste wedstrijden wist ik ook niet wat ik zag: je krijgt daar intraveneus een zoutoplossing toegediend, als compensatie voor het vocht- en zoutverlies gedurende negentig minuten in de hitte.”

Hoe bijzonder het avontuur ook is, en hoe succesvol het de eerste jaren ook sportief verloopt, vanaf 2002 veranderen de perspectieven voor Van Zwam. “Na een tijdje werd het namelijk stuivertje wisselen met Hiromasa Yamamoto, een jonge keeper, kind van de club. Achteraf, nu ik zelf trainer ben, snap ik het ook wel: de keeperstrainer wilde die jonge jongen erin die hij zelf had opgeleid. Dat brachten ze alleen op een aparte manier: ‘Arno, je hebt het zo goed gedaan, deze eerste stage van het seizoen, je mag nu uitrusten’. Maar we zijn toch geen amateurs? Ik wilde spelen. Ik zou mijn geld krijgen, mijn wedstrijdpremies, maar daar ging het me helemaal niet om: ik kwam om te voetballen. Als hij beter is speelt hij, als hij niet beter is speel ik. Dat heeft me wel wat discussies en ruzies opgeleverd, in die tijd.”

 

Ichimai Bureda no chikuto kudasai!

Het maakt ook dat de keuze om terug te keren naar Nederland snel gemaakt is, als Ton Lokhoff in de zomer van 2003 aan de lijn hangt. Van Zwam wacht tot het einde van de eerste stage van het seizoen, maar grijpt dan zijn kans om in Japan de boel netjes af te ronden: vanaf oktober 2003 speelt Arno van Zwam in het Bredase geelzwart.

Door de blessure van Gabor Babos maakt Van Zwam zijn entree bij de UEFA Cup-deelnemer als tijdelijke basiskracht. Een rolverdeling die de vraag oproept hoe makkelijk het is, om je vervolgens te moeten schikken in een rol op de achtergrond. “Nou ja, ik was het vanuit mijn Fortuna tijd wel gewend om tweede keeper te zijn, ik had het al zes jaar gedaan! Maar ik kwam in 2003 met een heel andere, duidelijke insteek naar Nederland. Ik kon me gaan bemoeien met meer zaken dan alleen maar het zelf voetballen. Ik had een keepersschool in Oosterhout, ik gaf keeperstraining bij de jeugdelftallen van NAC, én ik mocht me bij het eerste van NAC bemoeien met wedstrijdtactieken, met spelers aanspreken en motiveren. En natuurlijk de eerste keeper scherp houden.”

Iets waar NAC ook wel behoefte aan heeft, overigens. “Toen ik bij NAC kwam stond Nico van Zoghel nog als keeperstrainer op de loonlijst, maar hij had toen al twee verrotte knieën: hij kon geen bal meer trappen. Peter Remie heeft nog even keeperstraining gedaan, maar die wist op keepersgebied natuurlijk van toeten noch blazen. En dus hebben we de keeperstraining vanaf toen samen vormgegeven: Peter had een leuke trap, maar ik deed vooral de oefeningen. Ik moest Gabor scherphouden, en dat is me volgens mij redelijk gelukt. Wat niet wegneemt dat, als ze als speler een beroep op me deden, ik er óók moest staan.”

 

Tegenwicht

Staan doet Van Zwam er absoluut. De eerste bekerwedstrijd van het seizoen 2003/04, tegen Ajax, wint NAC, met 0-1 in Amsterdam, met een heldenrol voor Van Zwam (waarover we onlangs nog schreven). Zijn rol bij NAC is er dat seizoen vooral op gericht om tegenwicht te bieden aan Gabor Babos, op dat moment als ruim drie jaar de absolute nummer één onder de lat bij NAC, en één van de beste keepers van de Eredivisie. “Gabor was op dat moment een persoonlijkheid binnen NAC. Maar ik moest hem wel triggeren. Gabor was héél talentvol, maar geen trainingsbeest, ik was zelf niet zo talentvol,  maar ik was juist wél een trainingsbeest. ‘Als ik jouw talent had gehad was ik véél verder geweest dan jij,’ heb ik hem geregeld gezegd, om hem te prikkelen, en dat werkte goed, want daar kon hij niet tegen.”

Het illustreert de verhouding tussen de twee keepers in dat seizoen: uitdagen, en veel eisen. “We deden soms een afwerkoefening, waarvan ik tegen Gabor zei: ‘ik weet zeker dat ik ga winnen, ik krijg er maar twee tegen.’ Waarop Babos zich uitgedaagd voelde, en zei: “Arno, ik weet zeker, ik ga winnen, komt geen bal in”. En dan kwám er ook echt geen bal in. Als Gabor het écht wilde kon hij dat. Maar hij vroeg het tot aan mijn komst niet zo vaak van zichzelf.”

Als Babos in 2004 naar Feyenoord vertrekt, en uit België Davy Schollen naar Breda komt ter vervanging, neemt Van Zwam zijn positie als tweede keeper/ervaren kracht/keeperstrainer een seizoen lang weer in. Maar seizoen 2004/05 is een mager jaar voor de Bredase trots, met een waardeloze tweede seizoenshelft, een roemloze bekeruitschakeling, voetbal dat pijn doet aan de ogen, en met een schamele veertiende plek in de Eredivisie tot gevolg.

Schollen maakt bovendien geen zekere indruk, iets wat Lokhoff noopt om Van Zwam, vlak na het begin van seizoen 2005/06, een basisplek te geven. “Na Feyenoord-uit kwam ik erin als basisspeler. Davy Schollen was in principe nummer één, en in mijn ogen ook terecht: als keeper op trainingen was Schollen misschien wel de beste waarmee ik bij NAC gewerkt heb. Hij was zó explosief... Maar in wedstrijden kwam het er zelden uit. Hij was zelf zijn grootste criticaster: als we een goeie warming-up deden voor een wedstrijd gaf ik hem daar complimenten over, maar dan zei hij alleen: ‘tja, warming-up, dat is toch anders dan de match hé?’. Hij haalde zichzelf misschien nog wel het meest naar beneden, en dat ging ten koste van zijn spel.”

De basisplaats van Van Zwam ten spijt, NAC draait vierkant in 2005/06. In de winterstop wordt trainer Ton Lokhoff ontslagen, en vervangen door een trainer die van NEC komt. “Tja, meneer Lok,” verzucht Van Zwam. “Aparte man.”

 

Mismatch

Waar Julian Jenner al eerder op wees: Cees Lok en NAC zijn niet bepaald een goede match. Iets wat Van Zwam beaamt. “Hij was een aparte man. Hij kwam met een verhaal dat overtuigend moest klinken, maar je merkte dat hij twijfelde, en dat hij in sommige dingen niet eerlijk was. Hij verraste hij me door me te laten staan na zijn komst: Schollen was in principe een prima keeper, en dat we er op dat moment niet goed voor stonden was natuurlijk ook mij aan te rekenen. Maar ik raakte daarna snel geblesseerd, en ik merkte meteen: dat kwam hem eigenlijk wel goed uit. Hij zei dat ik na mijn operatie wel thuis mocht blijven, dat ik mijn rust mocht pakken. Maar ik ben professional: ik was er de volgende ochtend gelijk, om aan mijn bovenlichaam te werken boven in het krachthonk.”

Ook onder Lok moddert NAC maar wat aan, in 2006, en het komt maar niet weg van de onderste drie. “Na de laatste wedstrijd (2-6, red.) tegen PSV moesten we de nacompetitie in. Ik werd naar zijn kantoor geroepen. ‘Jij vond zeker dat je er eerder in had moeten staan?’ zei Lok. Een botte opmerking waar ik niks mee kon, want ik schikte me altijd naar de rol van tweede keeper waar ik in principe voor aangenomen was, en ik had Davy altijd gesteund. Maar toen ik dat probeerde aan te geven onderbrak hij me: ‘hou nou maar gewoon je mond, in de nacompetitie ga jij spelen.’ Zo communiceerde hij. En daarbij, de buitenwereld veroordeelde Pierre van Hooijdonk dat hij naar Feyenoord vertrok, maar het was toch echt Cees Lok die hem heeft weggejaagd. Tot het einde is hij zoekende geweest, naar een eigen positie in de groep, en op het veld qua opstelling.”

 

Nerveuze minuten

In een poging voor de nacompetitie alsnog te redden wat er te redden valt, organiseert trainer Lok een groepsgesprek met de ervaren krachten. “Lok riep ons bij elkaar, Penders, Slot, Van Gessel en ik. We zeiden: “trainer, we zien elke wedstrijd wisselingen, maar maak alsjeblieft een keuze. En welke keuze je ook maakt, we steunen je, maar ga met een vast elftal spelen. Als NAC uit die Eredivisie flikkert bestaat de club straks niet meer: we móeten erin blijven.’ Nou, dat vond hij fantastisch, zei hij, dat bracht een hoop positiviteit met zich mee, we zijn naderhand gaan bowlen met het hele team. Een hele leuke avond.”

“Maar op Tweede Pinksterdag, een vrije dag, werden Rob Penders en ik bij voorzitter Willem Van der Hoeven uitgenodigd, samen met Theo Mommers. Ze vroegen naar de positie van Lok in de groep. Dus wij waren best enthousiast: we hadden een goed gesprek gehad, leuke avond samen, toch wat begrip gekregen. En daar schrok Van der Hoeven van: hij had net Lok gesproken, en die had een héél ander verhaal opgehangen. Dat de oudere spelers aan het muiten waren geslagen, dat hij echt moest gaan ingrijpen. De volgende dag mochten we één voor één bij Lok komen. Slot ging als eerst: hij werd eruit geflikkerd. Van Gessel als tweede: hij werd eruit geflikkerd. Penders was geblesseerd, en mij wilde hij er óók uitflikkeren. ‘Je bent niet goed!’, heb ik hem toen gezegd. Dat heeft misschien gewerkt, want ik speelde alsnog, uit bij TOP Oss, maar wel met jongens als Timothy Derijck en Aykut Demir voor me.”

NAC speelt gelijk in Oss, maar dat is het laatste wapenfeit van Cees Lok. De trainer stapt op, waarna John Karelse de club uit het moeras mag trekken. En dat karwei lijkt voortvarend te beginnen, maar NAC geeft in Breda een 2-0 voorsprong uit handen, waardoor een derde beslissingswedstrijd in Oss noodzakelijk is. “En die derde wedstrijd was de eerste keer in mijn hele carrière dat ik zenuwachtig was voor een wedstrijd. Ik was 36, en ik besefte als oudere speler het belang van die wedstrijd, voor de hele club. Ik wist wat er op het spel stond, er zouden mensen ontslagen worden, of NAC in de Eerste Divisie überhaupt nog zou bestaan was zelfs maar de vraag… Na de wedstrijd kwam interim-trainer John Karelse naar me toe, die zei me dat ik vertrouwen en zekerheid had uitgestraald, dat ik het hele team erdoorheen gesleept had. Tegen Volendam heb ik geen moment gedacht dat het misging, ook in de laatste wedstrijd niet, toen het 0-0 bleef ondanks een tweede helft met tien man. Dát was een wedstrijd waarin ze alles tegen me aan schoten, daarin voelde ik me onpasseerbaar. Maar tegen TOP Oss was dat echt een ander verhaal: ik ben als voetballer nooit zo nerveus geweest als die 120 minuten.”

Degradatie-play-offs 2006: TOP Oss-NAC. Nagelbijten, billenknijpen, op het tandvlees, oog van de naald, poorten van de hel: alle clichés kunnen van stal. "We" degraderen niet, maar vraag niet hoe.

 

Jelle

NAC overleeft de play-offs in 2006, en blijft behouden voor de Eredivisie. Van Zwam blijft nog één jaar tweede keeper achter Edwin Zoetebier, maar wordt dan definitief keeperstrainer bij NAC. Een positie waarin hij bovendien stilletjes kan fungeren als scout, want ook op Zoetebier staat een houdbaarheidsdatum. “Ik heb altijd de talentvolle Nederlandse keepers gevolgd. Jelle ten Rouwelaar was wat mij betreft het grootste talent van zijn lichting. Bij PSV had hij het helaas niet gered, na een heel goed begin, maar ik heb toen gelijk Jelle genoemd bij Stewart. Absoluut onbespreekbaar: Austria Wien vroeg te veel geld, die kon NAC nóóit betalen. Maar ik wist via-via dat hij graag naar Nederland terug wilde, dus ik heb Stewart aangeraden de stoute schoenen aan te trekken, want nee heb je, maar ja konden we krijgen... Uiteindelijk heeft NAC hem nog goedkoper kunnen strikken dan gepland. En the rest is history.

Want als keeperstrainer zet Van Zwam zijn eerste stappen met Jelle onder zijn hoede. “Ik voel me nog steeds echt vereerd dat ik met hem heb mogen werken. Jelle is een fantastisch persoon, een geweldig keeperstalent, en om bij NAC te kunnen voetballen heeft hij ook nog eens veel geld ingeleverd: hij heeft een zuivere sportieve keuze gemaakt, en daar heb ik grote bewondering voor. En ik weet zeker dat ik zelf later bij Oranje ben gekomen omdat ik een keeper als Jelle heb mogen ontwikkelen.“

Voor leken (zoals niet-keepers, niet-profvoetballers of BSR-interviewers) ontstaat dan de vraag hoe zo’n ontwikkeling eruit ziet. “Ik geef een voorbeeld. Jelle en ik waren ouderwetse keepers: als de bal midden voor de goal ligt, dan leerden ze ons dat je vier of vijf meter uit je goal moet komen om de goal te verkleinen. Maar Jelle was juist heel explosief: door hem naar de doellijn terug te brengen hebben we er aan gewerkt om hem op die manier steeds meer reactietijd te geven, steeds meer gelegenheid om op de lijn zelf een onmogelijke redding te maken. Door die klassieke benadering te negeren hebben we samen zijn sterke punt nog groter gemaakt.“

 

Scherp blijven

Een ander punt wat opvalt aan de carrière van Ten Rouwelaar is zijn vermogen strafschoppen te stoppen. Onder hoede van Van Zwam ontwikkelt de rossige Jouster zich tot een echte penalty killer. De Fries is recordhouder gestopte penalties in de Eredivisie, en de strafschoppen (en dito –serie) tegen FC Groningen in de beker in 2008 zijn daar een illustratie van: in de verlenging pakt hij er één, in de penaltyreeks liefst drie. “Strafschoppen zijn voor keepers zeker te trainen. Bovendien: de druk ligt nooit bij de keeper. Als je statistieken loslaat op spelers, en op hun positie in het veld, kun je voor zeventig tot tachtig procent voorspellen in welke hoek die bal gaat. Met statistiek kun je gokken voorkomen: als keeperstrainer ben ik daar over na gaan denken, ben ik zelf ook cijfers gaan bijhouden, en ik denk dat Jelle en ik daar veel profijt van gehad hebben.”

Tegelijkertijd is de vraag hoe je, als je lang met elkaar samenwerkt, elkaar scherp houdt. Een kwestie die zeker speelt als je, zoals Van Zwam en Ten Rouwelaar, van 2007 tot 2014 dagelijks met elkaar bezig bent. “Maar het was nooit alleen maar leuk, we hebben ook veel gesteggeld, hoor. Jelle voelde zich na verloop van tijd heel veilig op de lijn, mede door die explosiviteit, maar daardoor kwam hij naar mijn smaak te weinig van de lijn af bij hoge ballen van de zijkant. Dat zijn punten waar we altijd over bezig waren. Op langere termijn ben ik echter altijd open geweest als ik merkte dat we elkaar niet meer konden prikkelen. Als het niet meer werkte moesten we wat anders gaan doen, andere doelen stellen. We begonnen met doelen voor een reeks wedstrijden, voor een seizoen, of voor twee seizoenen. Maar met Jelle ben ik gaandeweg juist kortere doelen gaan nastreven, voor maar één of twee wedstrijden. Dan liep hij maar een keer onder een bal door: ik wilde dan alleen maar ontwikkeling zien. Zo daagden we elkaar altijd uit, en zo hebben we het ook lang volgehouden.”

 

Trots

Onder Brandts en Maaskant haalt NAC in de eerste trainersjaren van Van Zwam een geweldig niveau, en Jelle ten Rouwelaar groeit uit tot één van de beste keepers van Nederland, getuige het feit dat hij als derde keeper in de definitieve selectie van Oranje wordt opgenomen in 2011, ondanks de rest van NAC (dat een erbarmelijk seizoen seizoen draait).

Toch komt voor Arno van Zwam in 2014 na liefst elf jaar een eind aan zijn Bredase jaren. Van Zwam overleeft Ernie Brandts, Robert Maaskant en John Karelse, maar met Nebojsa Gudelj aan het roer, en met Graeme Rutjes als TD op de achtergrond, haakt Van Zwam af. “En ik was ook wel toe aan wat anders: ik kon niks meer met Jelle. Ik kon hem niet meer beter maken. Ik was altijd bezig met nieuwe oefenvormen, om het leuk te houden, maar op een gegeven moment houdt het gewoon op. En dan kon ik wel blijven zitten en mijn centen pakken, maar zo zit ik niet in elkaar.”

“Ik was klaar bij NAC, maar het is niet pijnlijk geweest om dat te constateren. Ik kan in de spiegel kijken: ik heb het maximale uit iemand gehaald, misschien wel meer dan je gedroomd of gehoopt had. Van een keeper van PSV die bij Twente en Groningen verguisd werd, heeft Jelle via een omweg langs NAC nog Oranje heeft mogen halen. Daar heb ik aan mogen bijdragen, en daar ben ik apetrots op.”

 

Voldoening

Na zijn tijd in Breda gaat Van Zwam aan de slag bij ADO Den Haag. Hij werkt daarna nog bij Jong Oranje, in Dubai, Israël, bij Anderlecht en een aantal wedstrijden bij het Nederlands Elftal. Het rechtvaardigt misschien de vraag wie de beste keeper is waarmee hij gewerkt heeft, maar Van Zwam ziet dat iets anders. “Het gaat namelijk om de voldoening die je uit je werk haalt. Het is ontzettend mooi om met Jeroen Zoet of Jasper Cillessen te werken, maar ik haalde ook voldoening uit het ontwikkelen van de keepers in Dubai: die moest ik alles leren. Het is ontzettend leuk om helemaal niets tot íets te kneden, om te zien dat wat je traint aanslaat, dat mensen oppikken wat je zegt. Het geeft óók heel veel voldoening als je bij échte topkeepers er nog twee procent extra uit kunt persen als ze al op 95 procent van hun kunnen zitten. Al is dat laatste wel ontzettend hard werken.”

“Maar meeste voldoening haalde ik uit mijn keepersschool in Oosterhout,” zegt Van Zwam, enigszins verrassend. “Met kinderen werken is fantastisch, misschien nog wel mooier dan trainen bij een Eredivisieclub, of bij het Nederlands elftal. Kinderen ben je soms twee weken kwijt, dan is de goudvis overleden, of de hond is dood. Bij de een gaat het sneller, bij de ander wat langzamer. En kinderen kunnen oervervelend zijn, maar ik kan er nooit boos op zijn. Op vrijdag en zondag stonden er zestig kinderen op het veld, tien trainers, en dan hadden al die jongens anderhalf uur lang de grootste lol. En dan leerden ze óók nog wat. De essentie van trainen is voor mij het maximale uit elk individu halen, elke keer weer. Lukt dat? Nee, dat lukt bijna nooit. Maar het mooiste is om samen dan alsnog te bereiken wat je als plan hebt opgezet. Soms lukt iets stapje voor stapje.”

“Dus als je me vraagt wat de beste keeper is waarmee ik gewerkt heb, tja. De móóiste voor mij was Rick. Hij was een autistische jongen, durfde eigenlijk niet met andere kinderen te spelen, maar hij heeft wél een seizoen bij onze keepersschool meegetraind. Aan het eind van het jaar stond zijn moeder met tranen in haar ogen van blijdschap: haar zoontje had iets geleerd als keeper, maar hij was vooral aan het spélen, aan het dollen met andere jongens. Kijk, op Wembley staan met Engeland-Nederland en met 1-2 winnen, dat is óók mooi, daar haal ik óók veel voldoening uit, maar mijn geluk wordt niet bepaald door niveau. Of ik bij Oranje trainde, of met die kleine Rick in Oosterhout, ik had altijd dezelfde ambitie, dezelfde drive, zelfde plezier. Maar zo’n jonge jongen helpen zich te ontwikkelen, als keeper maar vooral als mensje, dat is het mooiste wat er is.”

 

Bron:
B-Side Rats
Terug naar overzicht
9 Reacties
9    
Tante Annie

Als je 11 spelers met zijn karakter in het veld zou hebben... Bizar veel respect voor hem!

-6    
malpolon

Bedankt voor dit leuke en informatieve interview! Goeie gast trouwens, die Arno.

Kon het niet laten de samenvatting van die derde wedstrijd tegen Oss weer eens te bekijken. Wat was het een schande dat we met dat elftal in de nacompetitie waren beland, en dat we de klus in de thuiswedstrijd niet hadden geklaard. Wat zijn we ook in deze wedstrijd door het oog van de naald gekropen. En, heel actueel, wat werd er voor en tijdens de wedstrijd veel vuurwerk afgestoken door de Osse fans.

0    
Buurman

Top gast !

-6    
Jordy

Mooi interview, BSR!

Respect voor Van Zwam en zijn mentaliteit. Die gast heeft dus echt wel gewoon NOAD! Mooi ook dat hij zoveel plezier schept uit het trainen van jonge gastjes.

Ik heb ook de samenvatting van die wedstrijd tegen Top Oss gekeken. Ik was bijna vergeten hoeveel krankzinnig goede voetballers er op dat moment voor ons NAC speelden... Pure waanzin dat die ploeg nacompetitie moest spelen en het nog zo moeilijk had tegen Top Oss... Ze mogen zich er met terugwerkende kracht nogmaals voor schamen...

0    
geelzwartwit

Mooi dat hij ook even wat duidelijk maakt mbt tot Pierre. En het stukje voldoening is natuurlijk goud.

1    
Michel

Mooie laatste passage; het tekent je als mens als je zoveel trots en voldoening haalt uit het trainen van zo’n kereltje en dan niet eens met als doel puur het keepen maar dat het manneke gewoon kind kan zijn.

-3    
Scheppioni

Sjappoo Castor !!!
En Arno prima gast, goede keeper, spontane NaCCer, maar bovenal een top keeperstrainer !!! Het ga je goed Arno !

6    
Buurman

Wat Arno over Pierre vertelt was bij meer mensen bekend natuurlijk. Ik heb steeds laten weten dat Pierre is weggepest naar Feyenoord. Heel veel frustratie is toen op PvH botgevierd. NAC is niet altijd zo gezellig. Maar goed het is verleden tijd.

0    
Luisindepels

Hallo Arno! Als je dit leest.... jouw verhaal was voor mij één van de allermooiste voetbal verhalen die ik ooit heb gelezen! Wat een avonturen. Wat een wereld waarin jij gezeten hebt. Bijna een jongensboek. Ik ben er stil van. Mooi dat je het ook wilde delen. Man wat verdien jij een mooi afterlife! Genieten tot aan den doed. Ik schrijf niet vaak iets hier..maar nu wel. Bedankt!👍

Laad alle berichten na dit bericht in
Nee
Ja